|
|
De Zangen
van Maldoror
Inleiding
Het waren de surrealisten die in de jaren twintig van de 20e eeuw
het werk van Rimbaud en Lautréamont herontdekten en er
een verwantschap in zagen met hun eigen werk.
Het waren beiden schrijvers die nieuwe relaties tussen zaken schiepen,
een 'ontregeling van de zintuigen' nastreefden. Beiden leefden
en werkten voor een deel in dezelfde tijd.
In 1868 verscheen de eerste 'Zang' van Les Chants de Maldoror
en in 1870 stierf Lautréamont in een stad waar Rimbaud
moet hebben rondgezworven.
In 1872 schreef Rimbaud zijn laatste gedichten en in 1874 kwam
de eerste volledige versie van De Zangen van Maldoror uit.
Rimbaud hield op met schrijven, Lautréamont stierf; over
de eerste weten we van alles, over de laatste bijna niets.
Leven
Wat we wel weten is dit: Lautréamont werd geboren als Isidore
Ducasse, op 4 april 1846, in Montevideo, Uruguay. Zijn ouders
waren Franse emigranten. In 1859 werd hij naar Frankrijk gestuurd.
Veel Fransen in het buitenland deden dat. De scholen in Frankrijk
stonden borg voor het overdragen van de Franse cultuur.
|
| |
 |
Titelplaat eerste Nederlandse
vertaling Maldoror |
|
 |
|
Men vermoedt dat
de moeder zelfmoord had gepleegd, ook al omdat de jongen in de
zomervakantie bij zijn oom bleef. Hij ging op school in Tarbes,
in Zuid-Frankrijk (ten noorden van de Pyreneeën). Volgens
de schoolrapporten was hij een ijverige, maar geen uitzonderlijk
goede leerling. Van 1863 tot 1865 ging hij naar het lyceum in
Pau.
Daarna werd het spoor onduidelijk. In zijn paspoort stond voor
mei 1867 een nieuw visum voor Montevideo, en zelfs de naam van
het schip voor de reis. Het lijkt waarschijnlijk dat hij terug
in Montevideo is geweest, maar zeker weten doet men het niet.
Eind 1867 is hij in Parijs. In augustus 1868 verscheen de eerste
Chant anoniem als aparte brochure van 32 bladzijden.
Wanneer Ducasse precies naar Parijs kwam weet men ook niet. Drie
jaar lang woonde hij in de omgeving van het centrum. Toen hij
stierf leefde hij in een typisch gemeubileerd appartement dat
werd verhuurd aan mensen die voor langere tijd in de stad verbleven.
De legende wil dat Ducasse vooral 's nachts schreef en de gewoonte
had om zijn eigen teksten luid te declameren en zichzelf daarbij
te begeleiden op de piano. Hij leefde van de toelages van zijn
vader, die hij had geprobeerd te overtuigen dat hij schrijver
wilde worden.
Oorspronkelijk zou het boek in oktober 1869 uitkomen, maar de
uitgever liet het afweten, uit angst voor censuur. Hij verwees
Ducasse naar een Belgische uitgever, die het werk in 1870 uitbracht.
In april en juni van dat jaar komen Poésies I en Poésies
II uit.
De Zangen van Maldoror passen in de traditie van Romantische
Decadenten en van het Symbolisme. De schrijver verbergt zich bijna
volkomen achter het werk. Ducasse nam het pseudoniem aan van 'Comte
de Lautréamont'. De naam Lautréamont is
|
|
|
zonder veel twijfel
afgeleid van de titel van een boek van Eugène Sue, Latréamont,
uit 1838. De naam 'Maldoror' levert meer moeilijkheden op. Waarschijnlijk
is het een verbastering van 'Mal d'Aurore', dat 'Vervloekt ochtendlicht'
zou kunnen betekenen (2), wellicht dan een verwijzing naar de gevallen
engel Lucifer. Zoals Camus zegt in De Mens in Opstand:
'God is niet dood, maar diep gezonken, en tegenover de gevallen
godheid plaatst de dichter zijn Maldoror als de conventionele
cavalier in de zwarte mantel, de Vervloekte(3).'
En inderdaad, de Zangen van Maldoror doet soms denken aan het
theatrale van de 'Gothic Novel', een traditie uit Engeland, waar
vervloekte helden als Frankenstein (Mary Shelley) en Melmoth the
Wanderer (Charles Maturin) in thuis horen.
In oktober 1870 legden de Duitsers het beleg rond Parijs. De
Frans-Duitse oorlog was uitgebroken op 19 juli van dat jaar en
de Fransen waren hem hard aan het verliezen. Algauw leden de mensen
in de stad honger en was er gebrek aan brandstof. Op 24 november
stierf Isidore Ducasse. Zijn overlijdensbericht luidde:
'Isidore Ducasse, schrijver, leeftijd 24, geboren in Montevideo
(Zuid-Amerika), overleed, hedenochtend om 8 uur, in zijn woonplaats,
Rue de Faubourg, Montmartre, no.7; ongetrouwd(4).'
|
 |
|
Werk
Zijn leven en werk zijn consistent in hun mysterie. In Maldoror
zegt hij: 'Ik weet dat mijn vernietiging compleet zal zijn.'
We zijn, door het gebrek aan biografische gegevens, in feite
aangewezen op het werk om iets over de schrijver te weten te komen.
En al vanaf de eerste regel van de Eerste Zang is die schrijver
zich bewust van de lezer:
'De hemel geve dat de lezer, onbevreesd en voor een ogenblik
even grimmig geworden als hetgeen hij leest, zonder te verdwalen
zijn wilde ongebaande weg vindt door de troosteloze moerassen
van deze sombere, giftige bladzijden; want indien hij bij het
lezen niet beschikt over een onverbiddelijke logica en een geestelijke
spankracht, die op het minst tegen zijn wantrouwen opwegen, dan
zullen de dodelijke dampen van dit boek zijn ziel doordrenken
zoals water dat in suiker dringt.(5)'
Overdreven? We leven in een tijd waarin veel mensen denken dat
je door het kijken naar porno- of geweldfilms aangezet kan worden
tot verkrachting of moord. Ducasse (of Lautréamont) waarschuwt
dus bij voorbaat al zijn lezers.
'In enkele regels stel ik vast hoe goed Maldoror was in zijn
eerste jaar, toen hij nog gelukkig leefde; dat is nu gebeurd.
Later ontdekte hij dat hij boosaardig was geboren: een buitengewoon
noodlot.(6)'
Wie is Maldoror? Bij het lezen van de Zangen is het duidelijk
dat Maldoror tot op zekere hoogte dezelfde moet zijn als Lautréamont
en Ducasse. Ervaringen, bijvoorbeeld van een zeereis, worden verteld
als iets dat aan den lijve is ondervonden. Het heeft de 'Lautréamont-vorsers'
voer gegeven voor de veronderstelling dat de Eerste Zang is geschreven
na de terugkeer van zijn reis naar Montevideo.
|
| |
 |
Isidore Ducasse |
Het is duidelijk: de Zangen zijn er voor degenen die naar ze
wil luisteren. De lezer wordt meegesleurd in een soort maalstroom
van vreemde en afschuwelijke gebeurtenissen. En dat in een taalgebruik
dat voor de surrealisten aanleiding was om in Lautréamont
één van hun voorlopers te zien.
In de Eerste Zang wordt een ontmoeting met een glimworm beschreven
die hem (Maldoror) aanmoedigt een naakte vrouw te doden, want
'haar naam is prostitutie'. In plaats daarvan doodt hij de glimworm.
Het stuk eindigt met:
'Daarom o volken, als u de winterstorm hoort huilen boven de
zee en langs de kusten, of boven de grote steden, die reeds lang
in de rouw zijn over mij, of door de koude poolstreken, zeg dan:
'Dat is niet de geest van God die voorbijgaat; het is slechts
het hevige zuchten van de prostitutie, vermengd met het zware
kreunen van de Montevideeër.' Ik zeg het u, kinderen. Daarom
knielt vol mededogen neer, en mogen de mensen, talrijker dan de
luizen, lange gebeden doen.(7)'
|
 |
|
Vanaf het begin is
Maldoror als een soort engel van het kwaad in een strijd verwikkeld
met God, die verder als Schepper, Almachtige en 'hemelse schavuit'
wordt aangeduid. Uit de Tweede Zang:
'God heeft de wereld geschapen zoals hij is: het zou van grote
wijsheid getuigen, als hij heel even, slechts gedurende de tijd
die nodig is om met een hamerslag het hoofd van een vrouw te verbrijzelen,
zijn sterrengelijke majesteit vergat, om ons de geheimen te openbaren,
te midden waarvan het leven verstikt, zoals een vis op de bodem
van een bark.(8)'
'Toen ik niet vond wat ik zocht, lichtte ik mijn ontstelde oogleden
hoger en hoger op, tot ik een troon bemerkte, die van menselijke
uitwerpselen en goud was gemaakt, en daarop troonde met een idiote
trots, in een doodskleed van ongewassen ziekenhuislakens, hij
die zichzelf betitelt als de Schepper! In zijn hand hield hij
de vergane romp van een dood mens en bracht die afwisselend van
zijn ogen naar zijn neus en van zijn neus naar zijn mond, dan
begrijpt u wel wat hij ermee deed.(9)'
Maldoror is een gedrevene. Zijn verschijnen betekent niet veel
goeds. Vooral kinderen, jonge pubers, meisjes en jongens, moeten
het ontgelden. Jongens worden meegelokt, door een bepaalde spanning
te suggereren. Maldoror trekt ze als het ware mee over grenzen.
Het betekent hun morele ondergang en soms ook hun dood. In de
Vijfde Zang heeft hij het over zijn 'schandelijke voorliefde voor
de bleke schooljeugd en voor de grauwe fabriekskinderen.'
|
| |
'Wat een aardig jongetje
zit daar op een bank, in de tuin van de Tuilerieën! Een man
die er verdacht uitziet gaat met een verborgen bedoeling naast
hem op dezelfde bank zitten. Wie is hij? Ik hoef het u niet te
zeggen: want u zult hem aan zijn slinkse manier van praten herkennen.(10)'
In de Derde Zang is er het verhaal van de krankzinnig geworden
vrouw die vertelt hoe haar dochtertje eerst werd verkracht door
Maldoror en daarna werd gedood door diens buldog. Maldoror verminkt
daarna het lijkje met 'een Amerikaans zakmes met tien of twaalf
mesjes voor verschillend gebruik.'
Er gaat vrijwel geen enkele erotiserende werking uit van De Zangen
van Maldoror. Ook niet in de beschrijving van een bordeel in de
Derde Zang, waar vrouwen 'aan iedereen die binnenkwam het inwendige
van hun vagina toonden, in ruil voor wat geld.' Als Maldoror naar
binnen gaat krijgen we een vreemd verhaal te lezen over het afluisteren
van een vreemde grote blonde haar die in een soort wanhopige monoloog
het verhaal vertelt van hoe hij van het hoofd van zijn bezitter
is afgeraakt.
Er lopen, kruipen en zwemmen nogal wat dieren door de zangen
heen. In de Eerste Zang is er de al eerder genoemde glimworm,
in de Tweede Zang is er een verhandeling over de luis ('De olifant
laat zich aaien. De luis niet.') en de beschrijving van een vrijage
met een wijfjeshaai, in de Derde Zang ontmoet Maldoror een draak
en verandert zelf in een reusachtige arend, in de Vierde Zang
beschrijft Maldoror zichzelf als een soort tehuis voor ongedierte
en de Vijfde Zang bevat onder andere de beschrijving van een grote
mestkever ('mooi als het beven der handen bij alkoholisme.')
De Zesde Zang is anders dan de vijf voorafgaande. Lautréamont
presenteert het als 'een kleine roman van dertig
|
 |
|
bladzijden'. Na
een inleiding volgen acht korte hoofdstukken over hoe Maldoror
de jonge Mervyn ('zestien jaar en vier maanden') verleidt en tenslotte
doodt.
Hier vinden we ook de beroemde zinsnede waarmee Maldoror de schoonheid
van Mervyn beschrijft:
'Hij is mooi als de intrekbaarheid van de klauwen van roofvogels
of ook, als de onzekerheid van de spierbewegingen bij wonden in
de weke delen van de achterste halsstreek of liever, als zo'n
altijdwerkende ratteval, die steeds opnieuw door het gevangen
dier wordt opgezet, die uit zichzelf een onbepaald aantal knagers
kan vangen en zelfs werkt als hij onder stro verstopt is; en vooral
als de toevallige ontmoeting van een naaimachine en een paraplu
op een ontleedtafel!(11)'
 |
Alex uit
The Clockwork Orange |
Lautréamont verenigt verschillende literaire personages
en stromingen met elkaar. Invloeden van De Sade, de 'Gothic Novel',
Byron en Baudelaire zijn terug te vinden. Na zijn herontdekking
door de surrealisten is Lautréamont een beetje beschouwd
als de archetypische rebel (onder andere in Camus' De Mens in
Opstand). Een andere schrijver, Wallace Fowlie, vergelijkt hem
met Alex uit The Clockwork Orange van Anthony Burgess (en van
de gelijknamige film van Stanley Kubrick).
Het is altijd moeilijk om een indruk te geven van een literair
werk van formaat, zeker als het gaat om een werk zoals Les Chants
de Maldoror. Het gevaar is niet denkbeeldig dat iedere
|
| |
'uitlegger' zijn
eigen Maldoror schept. Isidore Ducasse was pas 24 jaar oud toen
hij stierf. Zijn belang ligt verborgen in zijn werk, in de veelheid
van interpretatiemogelijkheden, niet in de benauwende situatie
dat één bepaalde groep of stroming zich 'de' Maldoror
zou kunnen toe-eigenen.
 |
Isidore Ducasse |
Gedichten
In juni 1870 werden de Poésies van Isidore Ducasse gepubliceerd.
Het pseudoniem was nu weggelaten. Minder bekend dan de Zangen
zijn de 'gedichten' vaak bekritiseerd.
Het zijn dan ook in wezen geen gedichten, maar eerder 'maximen'
(wetmatige uitspraken). Typisch genoeg echter blijken het bij
nader inzien vaak verdraaide uitspraken van filosofen als Pascal
en La Rochefoucault te zijn.
Ze lijken, meer dan de Zangen, in een bepaalde klassieke traditie
te passen. Ducasse spreekt zich uit tegen de tijd waarin hij leeft.
In die zin lijkt hij als schrijver een tegenspraak te scheppen
met zijn Zangen.
Maar ook daarin deed hij uitspraken over taal en poëzie.
'Tot op de huidige dag bevond de poëzie zich op de verkeerde
weg; door zich tot in de hemel te verheffen of tot op de grond
|
 |
|
te kruipen, heeft
zij de beginselen van haar bestaan miskend, en werd, niet zonder
reden, steeds door brave lieden uitgejouwd. Zij kende geen bescheidenheid…
de schoonste eigenschap die een onvolmaakt wezen kan bezitten.(12)'
Bij nader onderzoek echter zou men ook kunnen zeggen dat het
gaat om de individuele ontwikkeling van de schrijver Isidore Ducasse
en lijkt het onzin om een schrijver vast te pinnen op uitspraken,
gedaan in een literair werk.
Literatuur
Voor dit essay is gebruik gemaakt van:
- Isidore Ducasse Comte de Lautréamont, Oeuvres complètes,
Les Chants de Maldoror, Lettres, Poésies I et II, Gallimard,
1990.
- Lautréamont Isidore Ducasse, Poésies, Mille et
une nuits, 1995.
- Comte de Lautréamont, De Zangen van Maldoror, Athenaeum-Polak
& Van Gennep, Amsterdam 1980.
- Lautréamont, Maldoror and poems, Penguin classics, Hammondsworth,
1978
- Maurice Blanchot, Lautréamont et Sade, Les éditions
de minuit, Paris, 1984
- Albert Camus, De Mens in Opstand, De Bezige Bij, Amsterdam,
1973.
- Aimé Césaire, René Daumal e.a. , Das Geheimnis
des Comte de Lautréamont, Tiamat, Berlin, 1986.
- Wallace Fowlie, Lautréamont, Twayne publishers, New York,
1973
- Bernard Marcadé, Isidore Ducasse par Bernard Marcadé,
présentation et anthologie, Seghers, Paris, 2002.
- Robert Montal, Lautréamont, Classiques du XXe Siècle,
1973.
- Marcelin Pleynet, Lautréamont, écrivains de toujours,
, Seuil, 1985.
Tijdschrift: 'Lautréamont', L'Arc, no. 33, Paris, 1967.
|
| |
 |
os satyros - os cantos de maldoror |
|
 |