ANTONIN ARTAUD: OP ZOEK NAAR HET ONMOGELIJKE

Intro

Het is niet gebruikelijk om dit aan het begin van een verhaal over iemand te zeggen, maar: dit is het verslag van een mislukking. Een dubbele mislukking maar liefst. De eerste geldt het onderwerp zelf. Antonin Artaud is als schrijver er niet in geslaagd om dat wat hij wilde te bereiken. Hij was niet in staat om met zijn taal de wereld te

Antonin Artaud met zusje
Antonin Artaud met zusje


veranderen. We kunnen hem in die zin vergelijken met Arthur Rimbaud en Isidore Ducasse (Lautréamont). Het verschil zit hem erin dat Rimbaud op zijn 20e ophield met dichten en handelaar werd, Ducasse vrijwel anoniem stierf op 24-jarige leeftijd en dat Artaud doorging met leven en krankzinnig werd. Hij ging door en vond niet wat hij zocht. Toch is er het werk dat we lezen en kunnen proberen te doorgronden. En daarin zit eigenlijk de tweede mislukking. Van veel van wat de man heeft geschreven ontgaat ons de betekenis. Zijn schrijven was oorzaak en gevolg, een uiting van fysieke en psychische kwellingen; maar paradoxaal genoeg was de noodzaak om taal te zoeken en te gebruiken ook weer oorzaak van dat psychisch lijden. Het zijn persoonlijke boodschappen soms geschreven in een taal die lijkt op de toverformules uit middeleeuwse grimoires. Vol met ‘barbaars’ klinkende aanroepingen van engelen of demonen. En met die laatste heeft Artaud, met name in de laatste negen jaar van zijn leven moesten worstelen.

Maar laten we bij een begin beginnen…

Deel 1.

Antoine Marie Joseph Artaud werd op 4 september 1896 in Marseille geboren. Zijn vader en grootvader waren reders die met hun vrachtschepen de Middellandse Zee rond voeren. Zijn vader, ook Antoine geheten, had zijn vrouw ontmoet in Smyrna (het tegenwoordige Izmir). Het was toen een door veel Grieken bewoonde havenstad aan de Turkse kust van de Egeïsche Zee. Euphrasie Nalpas, zoals Antonin’s moeder heette, was geen vreemde voor zijn vader. De families kenden elkaar al want Antonin’s grootmoeders waren zussen.
In zijn kindertijd kreeg hij zo niet alleen met Franse, maar ook met Griekse en Turkse invloeden te maken. Het waren de nadagen van het Ottomaanse Rijk waarin de spanningen tussen bevolkingsgroepen al aan het toenemen waren. De

omschakeling van Frans naar Grieks die hij thuis en op vakantie in Smyrna, meemaakte gebruikte hij later ook, in de vaak schijnbaar betekenisloze klanken die hij uitstootte tijdens zijn ‘optredens’.

Hij was de eerste van acht kinderen, waarvan er uiteindelijk maar drie hun kindertijd zouden overleven. Gezond waren ze niet. Op vierjarige leeftijd ging de kleine Antoine ook bijna dood aan hersenvliesontsteking. Hij was ook plotseling gaan stotteren, een kwaal waar hij tijdens zijn leven vaker last van zou hebben. Op 9-jarige leeftijd maakte hij het drama mee van de dood van een zeven maanden oud zusje, dat door een dienstmeisje zo hardhandig door elkaar werd geschud dat het overleed aan inwendige bloedingen. Veel later, in de psychiatrische inrichting van Rodez, zou hij haar als het ware opnieuw tot leven roepen als één van zijn ‘dochters van het hart’. In de relatie tot zijn moeder werd hij heen en weer geslingerd tussen affectie en afstandelijkheid. Periodes van schijnbaar overdreven intimiteit werden afgewisseld met die van een schijnbaar onderkoelde onverschilligheid. Zij zelf was daar debet aan. Van jongs af aan maakte hij mee dat ze erg aan stemmingswisselingen onderhevig kon zijn. Ze kon van een vriendelijke en lieve stemming plotseling omslaan en in een hysterische woede uitbarsten.

Hij ging in Marseille naar school, waar hij rond 1912, samen met vrienden een poëzietijdschrift begon. Zijn eerste terug gevonden schrijfsels (gedichten en korte verhalen) dateren van 1913. Ze waren sterk beïnvloed door het werk van Baudelaire en Edgar Allan Poe. Hij begon toen ook voor het eerst te tekenen en te schilderen.

Vlak voor het begin van de Eerste Wereldoorlog, onderging Artaud zijn eerste crisis. Hij was zwaar depressief, stopte met studeren en dacht erover om priester te worden. In 1915 werd hij voor het eerst opgenomen. Vreemd genoeg werd hij in

Antonin Artaud als jonge acteur
Antonin Artaud als jonge acteur

 

het jaar erna gezond genoeg bevonden om dienst te nemen in het leger. Hij kwam wel door de keuring heen, maar werd na 9 maanden toch ontslagen, onder andere vanwege zijn zwakke gezondheid. Het was het begin van een langdurige periode van opnames in allerlei instellingen: ziekenhuizen, sanatoriums en een kliniek in Zwitserland. Doktoren dachten van alles te vinden, van zwakke zenuwen tot een erfelijke syfilis. Duidelijk is dat ze niets begrepen van de jonge man die ondanks alles bleef schilderen, tekenen en schrijven. Ze gaven hem een scala aan medicijnen, waaronder laudanum, een opiumderivaat, dat de pijnen die hem kwelden en de daarmee gepaard gaande angsten moest onderdrukken. Later concludeerde hij dat in die periode zijn levenslange verslaving aan opium en heroïne was begonnen.

In 1920 zag zijn familie in dat hij vooral geestelijke hulp nodig had. Hij kwam, terug in Parijs, onder behandeling bij Dr. Edouard Toulouse. Dit was een ontwikkeld man die een tijdschrift, Demain, uit gaf. Het blad was half-literair, half-wetenschappelijk.

Artaud werd lid van de redactie en publiceerde er gedichten, literaire kritieken en verslagen van tentoonstellingen in. Hij ontmoette er Lugné-Poe (1869 – 1940), een theaterdirecteur die hem inhuurde als figurant en souffleur . Hij bleef er een jaar en ontmoette daardoor mensen die behoorden bij de Parijse literaire en artistieke ‘incrowd’. Artaud was een mooie man in die tijd die, mede door zijn gedrevenheid, grote indruk maakte op zijn omgeving.

In oktober 1921 werd hij lid van een theatergezelschap. Hij leerde er Génica Athanasiou kennen, een Roemeense actrice, die in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog naar Parijs was gekomen. Antonin werd verliefd op haar en leek haar geheel voor zichzelf op te eisen. Ze speelden samen in verschillende toneelstukken. De verhouding duurde, met allerlei breuken en

verzoeningen, tot in 1927 toen zij één van de hoofdrollen speelde in de film La Coquille et le Clergyman (film van Germaine Dulac op basis van een scenario van Artaud).

In 1922 en ’23 reisde hij mee met het theater en speelde er verschillende rollen, vaak samen met Génica dus. Tegelijkertijd bleef hij schrijven en publiceerde hij zijn eerste gedichten in kleine oplage: Tric Trac du Ciel, een boekje waarvan hij later niet wilde dat het bewaard zou blijven. In december 1922 speelde hij Tiresias in Cocteau’s bewerking van Antigone van Sophocles. Génica speelde de titelrol. Het decor was van Picasso, de kostuums waren ontworpen door Coco Chanel en de muziek was van Honegger. Hij scheen in die periode elke rol aan te kunnen.

Typisch genoeg was zijn eerste echte publicatie een resultaat van een afwijzing van twee van zijn gedichten voor het tijdschrift Nouvelle Revue Française. Artaud begon daarop een briefwisseling met de hoofdredacteur, Jacques Rivière. Deze was zo onder de indruk van Artaud’s brieven dat hij die publiceerde in zijn tijdschrift. Artaud beschreef zichzelf als een ‘een mentaal geval, een echte psychische afwijking’. Hij erkende dat hij leed aan psychische stoornissen, die het hem uitermate moeilijk leken te maken om echt contact te leggen met de buitenwereld. In die brieven leek er verder een verwantschap te zijn met het werk van Arthur Rimbaud. Ook Rimbaud wilde dat zijn woorden als het ware magische formules waren die de wereld konden veranderen.
Het was een veel gelezen blad waardoor Artaud’s werk voor het eerst onder ogen kwam van een groter publiek. Onder de lezers was ook André Breton, de voorman van de surrealisten, die Artaud in oktober 1924 vroeg om toe te treden tot de Surrealistische beweging.

Beroemde foto van Man Ray van Antonin Artaud
Beroemde foto van Man Ray van Antonin Artaud

 

Artaud had toen al zijn eerste filmrollen gespeeld. Hij was eerst zeer onder de indruk van de mogelijkheden van het medium. In 1925 speelde hij de rol van Marat in de film Napoléon van Abel Gance. Ook deed hij mee in La Passion de Jeanne d’Arc van Carl Dreyer in 1927. Maar toen was hij eigenlijk alweer zo teleurgesteld in het statische, het ‘dode’ van het product, dat hij het verwierp. Als een film ‘af’ is, is er niets meer aan te doen; is het eigenlijk niets meer dan het fabrikaat van een machine. Het was mede de reden dat hij een voorstelling van Le Coquille et le Clergyman, een film die nota bene gebaseerd was op zijn eigen script, in februari 1928 verstoorde. Toch speelde hij tot in 1935 mee in films .
Het was in dezelfde periode dat zijn activiteit in de Surrealistische beweging eerst een hoogtepunt bereikte en daarna abrupt afbrak. In 1925 verschenen er twee dichtbundels: l’Ombelic des Limbes en Pèse Nerfs, sterk beïnvloed door het surrealisme.

Eigenlijk kunnen we het nauwelijks dichtbundels noemen. Het zijn verzamelingen van teksten, gedichten en brieven, waarin hij veel zegt over zijn geestesgesteldheid.
l’Ombilic des Limbes begint met: ‘Daar waar anderen werken aanbieden, wil ik niets anders dan mijn geest laten zien.’
En in Pèse Nerfs: ‘Jezelf terugvinden in een staat van uiterste geschoktheid, in het schelle licht van onwerkelijkheid, met in een hoekje van jezelf flarden van de werkelijke wereld.’

Maar al in oktober 1926 stapte hij alweer uit de surrealistische beweging. Hij maakte bezwaar tegen de in zijn ogen te rigide opstelling van Breton en de zijnen over wat nu wel of niet surrealistisch was. Bovendien was hij het niet eens was met de keuze van de groep om lid te worden van de Communistische Partij.

Artaud als Marat
Artaud als Marat

In de jaren erna wisselden periodes van geestelijke (en lichamelijke) crises en van creativiteit elkaar af. Hij had het Théatre Alfred Jarry opgericht, samen met onder andere Roger Vitrac, waarmee hij een toneelstuk van laatst genoemde, Victor ou les Enfants au Pouvoir opvoerde. Maar gebrek aan succes en geld dwongen hem om er in 1930 mee te stoppen.
In de eerste helft van de jaren dertig formuleerde hij zijn ideeën over het theater. De artikelen verzamelde hij later in Le Théatre et son Double.

In juli 1931 bezocht Artaud een voorstelling van een Balinees theater, tijdens een koloniale tentoonstelling in de het Bois des Vincennes. Het was vlak na een periode waarin zijn gezondheid slechter was geworden en hij plotseling weer was gaan stotteren. Geestelijke en lichamelijke kwalen hadden hem zodanig verzwakt dat er weinig meer uit zijn handen kwam. Het theater dat begon met de geestverschijning van een overleden vader die terug kwam om zijn dochter te vermanen, maakte grote indruk op hem.

Vlak erna begon hij aan het beschrijven van zijn eigen ideeën over het theater. Hij verzette zich in die artikelen tegen de aandacht voor het individuele karakter, de beschrijving van persoonlijke gedachten, uitleg van emoties en discussies over psychologische en sociale zaken. Het was onmogelijk om ‘echte’ emoties te tonen op basis van andermans’ teksten. In zijn ogen moest het terug naar de anarchie, de enige reële basis voor alle poëzie.

Het leek een algemene tendens in de kunst en de literatuur van die jaren. Men beschreef minder en liet meer gebeuren. De

 

Artaud als monnik in Jeanne d’Arc
Artaud als monnik in
Jeanne d’Arc

betekenis van gebeurtenissen lag in de verandering van relaties tussen mensen. Niet de mensen maar hun onderlinge relaties waren belangrijk. De wereld om ons heen bestaat alleen maar omdat we die waarnemen. Er is geen objectief bestaan mogelijk.

In de zomer van 1932 bedacht hij het Théatre de la Cruauté. Het ging hem hierbij niet zozeer om de wreedheid van mensen, maar om de etymologische oorsprong van de taal. Het ging erom duidelijk te zijn, zorgvuldig, vast besloten en zelfbewust.
‘Alles wat actie is, is een vorm van wreedheid. Op dit idee van de extreme, ten top gedreven actie moet het theater zich vernieuwen.’
‘Wij willen van het theater een werkelijkheid maken waaraan men geloof kan hechten, en die voor hart en zintuigen dat soort concrete letsel bevat dat elke waarachtige gewaarwording met zich meebrengt.’

De formuleringen van Artaud waren vaak onduidelijk, maar wat hij wilde was helder. Het theater moest vooral een fysiek effect hebben op het publiek. Geluiden, muziek, kreten, lichteffecten, vreemde onverwachte verschijningen, prachtige kostuums, maskers, poppen en allerhande mogelijke en onmogelijke zaken moesten gebruikt kunnen worden. En het moest allemaal ter plekke ontstaan.

In verschillende andere stukken, die later in Le Théatre et le Double terecht kwamen, verwees hij naar gnostische ideeën. Het gnosticisme was een godsdienstige stroming verwant aan het vroege christendom, later bestreden als ketterij. Men ging ervan uit dat de schepping zoals die in de bijbel werd beschreven, het werk was van een ‘kwade god’. Alles dat

geschapen was, was materie. De menselijke ziel was een goddelijke vonk, gevangen in die materie. Het vleselijk lichaam was een gevangenis. Ooit was er een eenheid, vol van licht. Die eenheid werd verstoord door dat het licht als het ware werd ‘weerkaatst’, de duisternis ontstond, de materie. Daarmee was ook het ‘kwade’ ontstaan. Op dat zelfde moment ontstond ook het ‘drama’.

Ook schreef hij Le Théatre et la Peste. Hierin betoogde hij dat het theater in wezen niet de pest moest kunnen uitbeelden, maar zelf als de pest moest zijn. Hiervoor vond hij zijn inspiratie onder andere in het feit dat hij Dr. René Allenby kende, de oprichter van het Franse psychoanalytische genootschap. Hij was geldschieter geweest voor Artaud en Vitrac bij het oprichten van hun theater. Allenby was bezig met een boek over de Zwarte Dood. Hij werd daarbij geholpen door Anaïs Nin, een patiënte van hem. Zij leerde Artaud in 1933 kennen en had een kortdurende verhouding met hem, die ze afbrak. Ze beschreef een lezing van Artaud over Le Théatre et la Peste waarin hij zijn betoog over dat het theater ten tijde van de grote pestepidemie een poging was om aan de dood te ontsnappen, liet overgaan in een uitbeelden van hoe het was om aan de pest te sterven. Hij beeldde de angsten en de pijn uit, kreunde en schreeuwde. Het publiek reageerde eerst met verbazing, daarna met boe-geroep en verliet tenslotte de zaal.

Aan het begin van dat jaar schreef hij het tweede manifest van het Théatre de la Cruauté, waarin het eerste ‘project‘ La conquête du Mexique zou gaan heten. Het zou hier gaan om de uitbeelding van gebeurtenissen en niet over mensen gaan.

In 1934 verscheen Héliogabale, ou l’Anarchiste couronné, een ‘studie’ naar het leven van de Romeinse keizer Heliogabalus (geboren in 204, keizer in 218, gedood in 222). De naam was afgeleid van de Semitische god Elagabal,

Héliogabale, ou l’Anarchiste couronné

waarvan hij de hogepriester was in de Emesa in Syrië. Deze god werd aanbeden in de vorm van een zwarte steen in de vorm van een fallus, die hij mee nam naar Rome. Hij verbruide het snel bij het volk door zijn god boven Jupiter te stellen en in zijn privé-leven geen rekening te houden met de gangbare zeden. Hij trouwde met drie vrouwen en één man en hield er daarnaast verschillende minnaressen en minnaars op na. Uiteindelijk werd hij, nog maar achttien jaar oud, vermoord door soldaten van zijn eigen keizerlijke garde. Artaud leek het seksuele leven van de jonge keizer te bewonderen.

Artaud maakte van deze keizer eigenlijk zijn eigen schepping. In zijn werk verzamelde hij ook veel kennis op occult en mystiek gebied en leek zichzelf met de keizer te vereenzelvigen. Historici zouden geen recht hebben gedaan aan het genie van deze keizer. Het was iemand die van zijn leven als het ware theater had gemaakt, een theater van een bevrijd leven.

Artaud probeerde in 1935 zijn ideeën in het theater tot uitdrukking te brengen door opvoeringen van Les Cenci, een toneelstuk gebaseerd op teksten van Shelley en Stendhal. Het thema van het stuk was de incest die graaf Cenci pleegt met zijn dochter Beatrice, om haar met een eeuwige verdoemenis te straffen. De graaf wordt daarna vermoord door zijn dochter in samenwerking met zijn vrouw Lucretia. Maar niet nadat hij ook nog zijn twee zoons heeft gedood.

Incest was een thema dat Artaud blijkbaar nauw aan het hart lag. Het was al een thema in Héliogabale en hij kwam er ook in zijn latere werk regelmatig op terug. Door de afwezigheid van een moreel oordeel, deed het denken aan het werk van De Sade. Er lijken natuurkrachten aan het werk waartegen de mens weinig kan beginnen. Ook Beatrice moet aan het eind van haar leven bekennen dat er geen hogere macht aan het werk was geweest die een keuze had gemaakt tussen goed en kwaad.

Helaas had het stuk niet het succes wat Artaud ervan had verwacht. Hij had veel moeite gedaan om de acteurs uit te leggen wat hij wilde. Een moeilijkheid die nog vergroot werd omdat hij ook de hoofdrol wilde spelen. De decors waren ontworpen door de schilder Balthus. Ze leken te verwijzen naar de tekeningen van Piranesi van grote gewelven met vreemde werktuigen waarin de mens verkleind leek tot een nietig wezen. De combinatie van belichting, de beweging van mensen op het toneel, de geluiden en de muziek was zorgvuldig gepland, maar leken de toeschouwers alleen maar in verwarring te brengen. De kritieken waren dan ook meestal negatief. Na 17 voorstellingen (van februari tot mei) moest men er al mee stoppen. Het was voor Artaud een financiële ramp. Daarnaast was het zijn laatste kans geweest om iets van zijn ideeën over toneel zelf uit te voeren.

In zijn teleurstelling wilde hij niet in Europa blijven. Hij besloot naar Mexico te gaan. Hij had gehoord dat men er op zoek was naar de culturele ‘wortels’ van het land, van voor de Spaanse verovering. Onder de oppervlakte van wat de Europeanen er hadden gebracht lag nog altijd een levende oude cultuur. Cultuur zat in zijn ogen niet in boeken, beelden of schilderijen, maar in de mensen zelf. Hij schreef zelf dat hij er op zoek ging naar het ‘onmogelijke’, naar hetgeen hem een nieuw evenwicht zou bezorgen en hem zou verlossen van het ongeluk.

Artaud in extase?
Artaud in extase?

 

Deel 2

‘Het eerste schouwspel van het theater van de wreedheid zal als titel hebben: De verovering van Mexico. Het zal gebeurtenissen en geen mensen regisseren. Mensen zullen met hun psychologie en hun hartstochten hun plaats krijgen, maar genomen als de uitstraling van bepaalde gebeurtenissen en de historische fataliteiten waarin zij hun rol gespeeld hebben.’
(Antonin Artaud, Het theater van de wreedheid. Tweede manifest)

De interesse van Artaud voor Mexico werd vooral gevoed door zijn afkeer van het westerse materialisme. Hij zocht, zoals al gezegd, naar een vorm van theater waarbij het bewustzijn van de toeschouwer voorgoed wordt veranderd. Een goed theaterstuk is als het ware een magisch ritueel waarin het wilde leven, ‘het volkomen spontane leven’ wordt opgeroepen. In zijn ideale vorm van theater zouden we ons open moeten stellen voor de krachten van de goden van weleer. Ook hier worden we weer herinnerd aan wat Rimbaud wilde met zijn gedichten, met zijn taal.

‘De goden die in de Musea dromen: de god van het Vuur met zijn wierookpan die op de driepoot van de Inquisitie lijkt; Tlaloc, een van de talloze Watergoden, bij de muur van groen graniet; de Moedergodin van de Wateren, de Moedergodin van de Bloemen; de onveranderlijke uitdrukking die, bedekt door meerdere lagen van water, uit de Godin met haar kleed van groene jade klinkt; de vervoerde en ingelukkige uitdrukking op het gelaat dat knettert van aroma’s, en waarover de zonne-atomen ronddraaien, van de Moedergodin van de Bloemen; dat soort verplichte dienstbaarheid van een wereld waarin de steen gaat leven omdat die gehouwen is zoals het behoort, de wereld van organisch beschaafden, ik bedoel van wie de vitale organen ook uit hun rust blijken, die menselijke wereld

treedt in ons binnen, neemt deel aan de godendans, zonder dat zij zich omkeert, of achterom kijkt, op straffe van net als wij verbrokkelde zoutpilaren te worden.’

Het boek waaruit dit citaat komt, heet in het Frans Le Théatre et son Double. Het verscheen in februari 1938; maar het merendeel van de stukken was geschreven in de jaren tussen 1931 en 1935. Vlak voor zijn vertrek naar Mexico had hij er de laatste hand aan gelegd. Met de titel leek hij te verwijzen naar verhalen en legenden over de dubbelganger of de schaduw.

‘Elke ware beeltenis heeft haar schaduw die er het dubbel van is; en de kunst valt weg vanaf het moment dat de vormgevende beeldhouwer een soort schaduw gelooft te bevrijden waarvan het bestaan zijn rust zal vernietigen.

Op 9 januari 1936 vertrok hij uit Parijs, op weg naar Antwerpen, waar hij zich de volgende dag inscheepte. De reis duurde bijna een maand. Op 8 februari kwam hij aan in Vera Cruz. Vandaar reisde hij per trein naar Mexico-stad. Hij kon de eerste tijd in zijn levensonderhoud voorzien door het geven van lezingen aan de universiteit en het schrijven van artikelen voor een krant. In zijn lezingen zette hij zich vooral af tegen het materialisme van de westerse mens. Het surrealisme was in zijn ogen teveel beïnvloed door de leer van Marx. In diens leer zag hij een ‘geheim determinisme’ aan het werk waardoor het godsdienstige trekken leek te krijgen. De mens was vervreemd van de natuur en de natuurkrachten. In zijn visie zou het menselijk leven magisch moeten zijn, bezield door het element vuur dat dan in de gedachten van de mens aanwezig was. De mens zou contact met de oude goden van het land moeten zoeken door gebruik te maken van deze kracht. Dat contact zou dan kunnen worden bewerkstelligd in theatervorm. Door deze beweringen doen zijn teksten vaak denken aan die van de gnostiek in de eerste eeuwen van onze jaartelling. Alle goden hebben een eigen identiteit, die door middel van beeld

en geluid kan worden opgeroepen. Door daarop als het ware af te stemmen kunnen wij hun beelden als het ware tot leven wekken.

Artaud was in Mexico gearriveerd met eigenlijk dezelfde problemen als die hem in Frankrijk hadden geplaagd. Te weinig geld en te weinig drugs om de symptomen van zijn ziekte te onderdrukken. Hij had heroïne nodig en daar was niet makkelijk aan te komen . Mexico-stad was in die tijd nog lang niet de uit zijn krachten gegroeide metropool die het nu is. Het was voor Artaud moeilijk om aan de meest basale benodigdheden te komen. Meerdere keren schreef hij aan zijn vrienden om financiële hulp. Maar ook in Mexico was er algauw een groep mensen, intellectuelen en kunstenaars, die hem steunden. Ze waren onder indruk van zijn persoonlijkheid. Hij leed pijn, was verslaafd, maar raakte hen allen door zijn houding en taalgebruik.

In mei begon hij dank zij hen aan het schrijven van artikelen voor El Nacional Revolutionario. In die artikelen beschreef hij onder andere de rituelen van de indianen (die hij op dat moment nog niet had gezien) als de mooiste vorm van theater. Zijn vrienden vertaalden deze stukken in het Spaans voor hem. De betaling voor die artikelen was zijn enige bron van inkomsten. Veel van deze teksten kenden we alleen in het Spaans en werden later weer in het Frans terug vertaald. Hij schreef over zaken als de degeneratie van Europa en de nieuwe aspiraties van de Franse jeugd. Hij was voor de Mexicaanse revolutie die hij meer indiaans en minder marxistisch wilde. Maar het belangrijkste was toch dat hij zichzelf open stelde voor de essentie van de Mexicaanse cultuur. Daartoe wilde hij de indianen ontmoeten die in de hoogte van de Sierra Tarahumara leefden. Hun rituelen, zo had hij begrepen, waren al eeuwenlang hetzelfde. Ze gebruikten daarbij een plaatselijke drug peyote.

Tarahumaras (foto uit 1892)
Tarahumaras (foto uit 1892)

 

Al in april had hij voor de reis een subsidie gekregen van het Mexicaanse ministerie van schone kunsten. Maar hij vertrok pas in augustus. Hij moest eerst per trein naar het noorden, 750 kilometer, naar de provincie Chihuahua. Daarna ging de reis verder te paard door de Sierra Madre, naar het gebied van de Tarahumaras. De bedoeling was om contact te leggen met de Tarahumaras en mee te mogen doen met één van hun rituelen. Het paste goed in Artaud’s zoektocht naar het ‘onmogelijke’, zijn streven om contact te leggen met de elementale krachten in de natuur. Onderweg probeerde hij daarom van zijn heroïne verslaving af te komen. Het was op zich al een zware reis maar de ontwenningsverschijnselen maakten de tocht tot een persoonlijke hel. De dingen die hij onderweg tegen kwam en zag maakten het geheel bijna nachtmerrieachtig. Na tromgeroffel in de bergen, merkte hij dat indianen hem aanstaarden vanachter rotsen, zag hij vreemde beesten en monsters in de rotsen, als waren ze versteend. Hij reed over de oever langs een rivier toen hij aan de overkant een groep indianen zag liggen die masturbeerden terwijl ze hem aan keken. Was het een magisch ritueel om hem kwaad te doen? Het leek alsof de natuur om hem heen ‘bezield’ was.

Toen hij in het dorp arriveerde, bleek er net iemand gestorven te zijn. Er moest een ritueel worden uitgevoerd om de geest van de overledene te beschermen tegen kwade geesten. De voorbereidingen van het ritueel duurden een maand. Artaud voelde dat dit een belangrijke gebeurtenis voor hem zou zijn, maar hij was tegelijkertijd bang dat hij misschien niet de goede instelling zou hebben. Een priester legde hem uit wat er zou gebeuren. Hij noemde de drug zowel als de God die de drug beheerste Cuguri.

De uitvoering van het ritueel zelf was indringend. Rond een groot vuur werden tien kruisen geplaatst. Aan elk kruis werd een spiegel opgehangen. Twee jonge geiten werden geslacht. De erop volgende fasen van het ritueel namen de hele nacht,

van zonsondergang tot zonsopgang, in beslag. De dansers kregen peyote toe gediend, zodat ze hun remmingen kwijt zouden raken. Pas tegen het eind kreeg Artaud zelf het middel toe gediend. De effecten ervan waren zo groot dat hij later zei er hele boekenkasten mee te kunnen vullen. Het gaf hem een goddelijk gevoel en hij vereenzelvigde zich met Jezus aan het kruis. De kruisiging zag hij als punt van ultieme verlichting. Het verloste hem tijdelijk van zichzelf, een overweldigende ervaring die hij later steeds opnieuw onder woorden trachtte te brengen.

Typisch genoeg is het meeste dat Artaud er later over schreef ‘gekleurd’ door zijn verblijf in inrichtingen. Daarnaast verwerkte hij zijn eigen, naar gnostiek neigende ideeën in hetgeen hij opschreef van de woorden van de Tarahumara priester die hem vertelde over het ritueel en het doel ervan. Zijn wereldbeeld was ‘hermetisch’, waarmee hij bedoelde dat alles in het universum met elkaar samen hangt. Het erkennen van het bestaan van meerdere goden was ook een manier om dat universum te onderzoeken. Het was in zijn ogen een dynamisch geloof, waarin de mens zijn lot niet willoos hoefde te ondergaan, maar ook actief kon besturen. De oude Maya’s waren bedreven in astrologie. Ze konden nauwkeurige voorspellingen doen, onder andere omdat ze begrepen dat de zon niet symbool stond voor het leven, maar voor de dood. Om hiernaar te kunnen handelen moest de mens als het ware ontsnappen aan zijn materiële en mentale wereld. Het gaat om die goddelijke vonk die ‘gevangen’ zit in het vlees, in de materie. Alleen door contact met de oorsprong van die vonk kan een mens zich bevrijden. Ciguri kan daarbij helpen. De mentale wereld ‘lost’ dan als het ware op in het ‘niets’. Zonder ego is er een leegte. Artaud zag het universum en het Niets (de leegte) als één en het zelfde. Mensen hebben een angst voor het niets. Ze vullen het op met beelden en afbeeldingen, om uiteindelijk (bij hun dood) te merken dat alles toch weer opgaat in die leegte.

Paspoortfoto Artaud
Paspoortfoto Artaud

Het was al met al een ervaring die hem zijn verdere leven zou bij blijven. Meerdere keren ook zou hij proberen om die ervaring te verwoorden. Maar tegelijkertijd moest hij erkennen dat hij niet had gevonden wat hij zocht. Begin oktober vertrok hij weer naar Mexico-stad. Hij verbleef er niet lang meer. Een maand later was hij weer terug in Parijs.

Het is moeilijk om meer te achterhalen over zijn verblijf in Mexico. In later jaren, na zijn dood in 1948, zijn er mensen op

 

zoek gegaan naar verhalen en sporen. De anekdotes waar ze mee terug kwamen, waren oncontroleerbaar en vaak ook ongeloofwaardig. Duidelijk was wel dat de indianen niet (meer) wisten wie hij was.

De teksten die Artaud over zijn ervaringen schreef dateren van verschillende periodes erna. In mei 1947 stelde hij zelf voor ze opnieuw uit te geven. Daarop kwam het tegenvoorstel om ze allemaal in één bundel onder te brengen. Het werk eraan werd onderbroken door zijn dood. Uiteindelijk kwam het boek onder de titel Les Tarahumaras pas in 1955 uit.

Deel 3

In november 1936 zwierf Antonin Artaud door de straten van Parijs. Hij bezocht er de bekende café’s en ontmoette er zijn vrienden. Hij droeg een klein zwaard, dat, zo beweerde hij hem gegeven was door een ‘negertovenaar’. Het zou hem magische krachten geven.
Veel hulp wilde hij niet aannemen. Vaak sliep hij op straat en bedelde hij. Tot twee keer toe probeerde hij van zijn verslaving aan opium af te komen en was hij ziek van de afkickverschijnselen. Verliefd was hij ook, op een jonge Belgische kunstenares, Cécile Schramme. Hij schreef haar geëxalteerde brieven vol van ‘openbaringen’ over zijn leven. Een vriend gaf hem in april 1937 een wandelstok cadeau. Artaud zag het ding algauw als een soort staf en hij beweerde later dat het de echte staf was van de heilige Patrick. Ondertussen bleef hij ook schrijven. Hij redigeerde Le Théatre et son Double en een verhaal over zijn reis naar Mexico. Als laatste publiceerde hij Les nouvelles révélations de l’Ètre. De schrijver noemt zich ‘De ontwaakte’. Op basis van tarot-uitleg en horoscopen kondigde hij, zo leek het, zijn ondergang aan en met hem zou de wereld ineenstorten. Het waren vreemde teksten, voor een ‘leek’ onbegrijpelijk.

‘En de Revolutie, die wij niet hebben weten te veroorzaken, zal door het universum tegen ons gericht worden. Want ook de revolutie herinnert zich dat zij een vrouw is. En alvorens de koningen op hun troon terug te zetten, koningen die dan ieders slaaf zullen zijn en daardoor beter zullen weten hoe de wereld in slavernij te houden – zal deze revolutie ons opnieuw leren door haar onmogelijke bezetenheid, die van iedereen een bezetene en een gek maakt, HOE HET LEVEN ZICH UIT ONS TERUGTREKT!’

Hiermee leek de grens tussen ‘het leven’ en de ‘kunst’ (tussen de maatschappij en het zelf) te zijn verdwenen. Hij zag zijn leven als de vervulling van een profetie. En om die reden, zo leek het, reisde hij in augustus 1937 af naar Ierland. Hij wilde er de levende bronnen van de Keltische tradities zoeken en wellicht ook (zoals hij later zei) om de staf aan Sint Patrick terug te geven. Hij zag zichzelf nu als magiër en leek zichzelf langzaam maar zeker steeds meer met Jezus te identificeren.

Over zijn reis naar Ierland is niet zoveel bekend. Algauw was hij ook daar zonder geld en schreef hij aan zijn familie en vrienden om financiële hulp. In die brieven leek hij volledig de weg kwijt te zijn geraakt. Hij volgde allerlei mystieke waandenkbeelden en het was ook niet verwonderlijk dat hij in moeilijkheden raakte. Hij kondigde het einde van de wereld aan en zei dat God hem met een geheime boodschap op weg had gestuurd.
Op 23 september werd hij opgepakt, waarschijnlijk wegens landloperij, en overgebracht naar de Mountjoy gevangenis. Van daaruit werd hij op een boot gezet, terug naar Frankrijk. Hij kwam aan in Le Havre en daar leek hij spoorloos te zijn verdwijnen…

Pas in december ontdekte zijn moeder, ondertussen al bijna 70 jaar oud, dat haar zoon was opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis in Sotteville-lès-Rouen. Hij beweerde Grieks te zijn

en zei haar niet te herkennen.

Later bleek dat hij zich op de terugreis van Ierland waarschijnlijk zo agressief had gedragen dat men hem niet zomaar wilde laten gaan. Volgens het rapport van het psychiatrisch ziekenhuis zou hij psychotisch zijn geweest, hallucinerend dat hij achtervolgd en bedreigd werd. Zijn vijanden zouden hem hebben willen vergiftigen vanwege zijn orthodox-christelijke geloofsovertuiging.

In de vijfenhalve maand dat hij in Sotteville-lès-Rouen verbleef, schreef hij één brief aan de de Ierse vertegenwoordiging in Parijs; waarin hij beweerde dat hij een Griek was, geboren in Smyrna en dat de Ierse politie hem zijn identiteitspapieren had afgenomen. Hij ondertekende als Antoneo Arlanapolis.

Door bemiddeling van zijn moeder en uitgever Jean Paulhan werd Artaud in april 1938 over gebracht naar het psychiatrisch centrum Sainte-Anne in Parijs. De vooruitzichten waren slecht. De later beroemde psychoanalyticus Jacques Lacan die hem onderzocht, concludeerde dat Artaud waarschijnlijk voorgoed verloren was voor de literatuur.
Op 22 februari 1939 werd hij als ongeneeslijk geesteszieke overgebracht naar het psychiatrisch ziekenhuis van Ville-Evrard, 20 kilometer van Parijs vandaan. Daar verbleef hij vier jaar, zonder enige vorm van behandeling. Hij beweerde nog steeds dat hij achtervolgd werd door tovenaars die hem wilden wurgen en andere patiënten klaagden dat zijn geschreeuw en duiveluitbanningen hen uit hun slaap hielden. Hij spuugde naar medepatiënten en sloeg een kruis als hij een dokter tegen kwam. Eén diagnose was dat hij leed aan vervolgingswaanzin.
Hij bleef brieven sturen met vragen om hulp. Ook ontving hij er bezoek. In schoolschriften en op losse blaadjes maakte hij vreemde tekeningen en schreef hij een soort magische formules op. Hij maakte er gaten in en brandvlekken.

Magische formules en bezweringen eind jaren ’30
Magische formules en bezweringen eind jaren ’30

 

In de oorlogsjaren (mei 1940 – augustus 1944) was het leven in een psychiatrisch ziekenhuis in Frankrijk afschuwelijk. Door vaak opzettelijke (en door de nazi’s gestimuleerde) verwaarlozing en honger stierven er 40.000 patiënten. Artaud had ‘geluk’. Zijn moeder en zijn vrienden hadden er veel voor over om hem te helpen. In februari 1943 slaagde de dichter Robert Desnos erin om Artaud over geplaatst te krijgen naar het psychiatrisch ziekenhuis van Rodez, in het vrije deel van Frankrijk.

Artaud was op dat moment ten prooi aan een delirium en leek niet meer te benaderen. Hij onderbrak zijn bezigheden voortdurend met schijnbaar rituele handelingen om boze geesten te kunnen uitbannen. Boze geesten die hem niet zelden leken te willen verleiden tot seksuele handelingen. Het doet denken aan de verhalen over incubi en succubi, demonen die de seksuele energie van mannen vrouwen stalen om er kwaad mee te doen. Uit de geschiedenis van de psycho-analyse zijn er overigens veel meer gevallen bekend van mannen die het waandenkbeeld hadden dat de duivel hun ‘levensenergie’ zou willen stelen.

Maar in Rodez had Dr. Gaston Ferdière de leiding, een kunstliefhebber. Dankzij hem ging Artaud er niet alleen lichamelijk op vooruit, maar ook geestelijk. Dr. Ferdière praatte met hem, liet hem dingen lezen en vroeg hem weer te gaan schrijven. Al in de eerste maanden na zijn aankomst bleek die benadering aan te slaan. Artaud begon weer te werken.

Er was echter ook een schaduwzijde. Vanaf juni ontving hij ook elektroshocks. Een vorm van therapie die sinds 1938 werd toegepast. De schokken brachten een epileptische aanval op gang, waarna de patiënt in coma raakte. Na het coma viel hij in slaap. Bij het ontwaken was hij daarna een deel van het geheugen kwijt. Ferdière zag de angst waarmee dat geheugenverlies gepaard ging als iets positiefs. Artaud werd

op die manier gedwongen zijn ‘geest’ als het ware opnieuw op te bouwen. Achteraf heeft men Dr. Ferdière veel verwijten gemaakt over deze behandeling waarvan de effectiviteit niet vast stond. Ook Artaud klaagde en protesteerde ertegen.
‘De electroshock doet me wanhopen, ontneemt me mijn herinnering, maakt me een afwezige die zichzelf afwezig weet en die zichzelf gedurende weken zijn eigen wezen ziet achtervolgen, zoals een dode naast een levende die hij niet meer is.’

De vroegere mooie jonge man was ondertussen een vroegoude tandeloze oude man geworden. Maar de ‘kunsttherapie’ zoals we het andere deel van de behandeling van Dr. Ferdière misschien kunnen noemen, wierp zijn vruchten af. Artaud ging eerst steeds meer schrijven, daarna ook tekenen en hij maakte gouaches. Wel was hij nog steeds bezig met een soort godsdienstmanie. Hij biechtte soms drie keer per week en hij voelde zich nog steeds belaagd door demonen die hem onder andere ‘vreemde erotische bewegingen’ wilden laten maken. Vanaf 1944 schreef en tekende hij vooral in schoolschriften. Hij had redelijk veel vrijheid en kon vrij het dorp Rodez in gaan.
In het jaar erop, na de bevrijding, begon hij ook weer te denken aan het publiceren van werk. In september verscheen Au pays des Tarahumaras en in 1946 een verzameling brieven: Lettres de Rodez.

Was het door de elektroshocks dat Artaud weer opstandiger en minder lijdzaam werd? Hij kreeg steeds meer een afkeer tegen zichzelf als hulpeloze patiënt. In de lente van 1945 keerde hij zich ook plotseling af van het christendom. Hij was weer zichzelf? Toch bleef hij geloven in zaken als zwarte magie. Hij hallucineerde soms en vertelde de vreemdste verhalen (die overigens niemand meer leek te geloven).

Foto uit Rodez
Foto uit Rodez

 

Het was ook in dat jaar dat men Artaud ‘ontsloeg’. Dr. Ferdière vond enerzijds dat hij weer ‘normaal’ kon leven, mits er in zijn levensonderhoud kon worden voorzien, want, dat was wel duidelijk, Artaud zou nooit in staat zijn om voor zichzelf te zorgen; anderzijds echter was hij bang dat Artaud weer alle vrijheid kreeg om drugs te gebruiken. Zijn vrienden verzamelden geld en verzekerden de dokter dat zij op hem zouden letten. En zo kon Artaud op 25 mei 1946 terug naar Parijs. Hij kwam er terecht in Ivry, vlakbij Parijs, in een open inrichting.

Daar begon Artaud weer deel te nemen aan het ‘literaire leven’. De inrichting gaf hem veel persoonlijke vrijheid terug. Veel van zijn vrienden waren echter in de oorlog gebleven. Ze waren gedood, gedeporteerd of verdwenen, zoals Cécile Schramme. In dat jaar verscheen ook weer een eerste artikel over theater: Le théatre et l’anatomie.
Hij herhaalde dat het theater niet zomaar een passief te bekijken schouwspel hoort te zijn, maar dat het de fysieke verandering van het menselijk lichaam tot doel moest hebben.

Eenmaal weer terug in Parijs besloten zijn vrienden om op 7 juni 1946, in een theater een grote avond rond het werk van Artaud te organiseren. De avond werd gepresenteerd door André Breton en verschillende van Artaud’s kunstvrienden droegen zijn werk voor. De meeste indruk echter maakte Artaud zelf door zijn uitingen van gekweldheid en genialiteit. Hij was het theater dat hij wil bereiken zelf. Breton had het over hem als een geïnspireerd genie.

Dit waren de jaren die qua beeldvorming belangrijk zijn geweest voor het imago van Artaud. De vroeg oud geworden man (hij was pas 50) die als een sjamaan soms leek te bemiddelen tussen twee werelden. Voor een groot deel leken zijn uitingen betekenisloos. Het leken alleen maar klanken of nonsens woorden, zoals in Artaud le Mômo:

o dedi
a dada orzoura
o dou zoura
a dada skizi

o kaya
o kaya pontoura
o ponoura
a pena
poni

Maar bij nadere studie bleken het soms magische formules in vreemde occulte talen die hij opdiepte uit boeken over magie en geschiedkundige werken.
Een week na de voorstellingen in het theater verkocht men in een galerie manuscripten, tekeningen en ander werk van hem aan vrienden en bekenden. Van de opbrengst moest Artaud tot aan zijn dood kunnen leven.

Hij bezocht in de maanden erna weer verschillende oude café’s in Montparnasse en Saint-Germain-des-Prés. Mensen zagen in hem de ‘gekke’ of ‘vervloekte’ dichter die symbool stond voor de vrijheid.
In september tekende hij een contract met Gallimard. Daar zou zijn Verzameld Werk gaan verschijnen.

Er waren ook verschillende vrouwen die zich om hem bekommerden en met wie hij zich op typische wijze verbonden voelde. Colette Thomas met wie hij een soort liefdesrelatie onderhield. Paule Thévenin, actrice en vrouw van een dokter, die hem voorzag van laudanum en zijn teksten redigeerde . Marthe Robert die voor hem zorgde en over hem schreef. Het waren zijn ‘dochters van het hart’.
Ondertussen bleef hij ook choqueren. Tijdschriftredacteuren twijfelden of ze zijn teksten wel zouden plaatsen.

Zelfportret
Zelfportret

 

De ideeën rond het Theater van de Wreedheid bleven hem bezig houden. Hoe kon een acteur het onderwerp zelf zijn en uitbeelden tegelijk? Artaud raakte ervan overtuigd dat hij zelf dat moest kunnen uitbeelden. Op 13 januari 1947 betrad hij een Parijs’ theater, Le Viwux-Colombier, om daar Histoire vécu par A-Mômo voor te dragen, ‘Tête à tête par Antonin Artaud avec 3 poèmes déclamés par l’auteur.’ Volgens een van de verslagen zouden er 700 mensen in de zaal zijn geweest, waaronder André Gide, André Breton en Albert Camus. Hij fluisterde, schreeuwde en stamelde zijn gedichten en teksten zonder zich af te vragen of hij verstaanbaar of begrijpelijk was. Twee uur lang ging hij door terwijl het publiek heen en weer werd geslingerd tussen ademloze bewondering en plaatsvervangende schaamte.

Eind januari 1947 was er een grote overzichtstentoonstelling in Parijs van het werk van Van Gogh. Na een artikel van een psychiater te hebben gelezen waarin Van Gogh ‘gedegenereerd’ en schizofreen werd genoemd, schreef hij in een bui van geïnspireerde woede één van zijn mooiste teksten: Van Gogh le suicidé de la société.
Van Gogh was in zijn ogen niet geestesziek. Net zo min als Nerval, Nietzsche, Edgar Allan Poe of Hölderlin dat waren geweest. Het was de maatschappij die deze artiesten uitstoot en laat ‘wurgen’ in inrichtingen.

In de loop van dat jaar ontdekte men dat Artaud ernstig ziek was. Al in augustus 1944 had hij aan zijn moeder geschreven dat hij ’s nachts veel bloed uit z’n ingewanden had verloren. Iets dat geen waandenkbeeld bleek te zijn. In februari 1948 constateerde men dat hij een niet te opereren kankergezwel aan het rectum had. Om de pijn te verlichten kreeg hij toestemming om opium te gebruiken. En nog geen maand later, op 4 maart 1948, op éénenvijftigjarige leeftijd, werd hij dood aangetroffen, zittend op het voeteneind van zijn bed. Drie dagen lang hielden zijn vrienden een wake, om te voorkomen

dat zijn lichaam een prooi zou worden voor de ratten.

Vlak voor zijn dood had hij dan nog moeten meemaken dat een door hem geschreven en geregisseerde radio-uitzending werd verboden. De teksten van Pour en finir avec le jugement de Dieu werden te schokkend gevonden.

Wie ben ik?
Waar kom ik vandaan?
Ik ben Antonin Artaud
en als ik het zeg
zoals ik het weet te zeggen
onmiddellijk
zult u mijn huidige lichaam
in stukken zien springen
en zich verenigen
uit tienduizend
beruchte aspecten
tot een nieuw lichaam
waarin u me nooit meer
zult kunnen
vergeten.

Antonin Artaud
Schets van Artaud
Schets van Artaud

 

Literatuur:

  • Artaud, Antonin, Van Gogh, le suicidé de la société, L’Imaginaire/Gallimard, 2001
  • Artaud, Antonin, Les Tarahumaras, Gallimard, folio essays, Paris, 2002
  • Artaud, Antonin, Pour en finir avec le jugement de dieu, nrf/Gallimard, 2003
  • Artaud, Antonin, Suppôts et Supplications, nrf/Gallimard, 2006
  • Artaud, Antonin, Navel der Onderwereld, Meulenhoff, Amsterdam, 1981
  • Artaud, Antonin, Het theater van de wreedheid, Meulenhoff, Amsterdam, 1982
  • Artaud, Antonin, Triktrak des Hemels, Fizz-Subvers Press, Alkmaar, 1979
  • Artaud, Antonin, Heliogabalus, or the crowned anarchist, Solar Books, 2006
  • Artaud, Antonin,The Death of Satan and Other Mystical Writings, Calder & Boyars, London, 1974
  • Artaud, Antonin, Watchfiends & Rack Screams, Works from the final periode, Exact Change, Boston, 1995
  • Grossman, Évelyne, Antonin Artaud, Un insurgé du corps, Découvertes Gallimard, 2006
  • Hayman, Ronald, Artaud and After, Oxford University Press, Oxford London New York, 1977
  • Meijer, Fik, Keizers sterven niet in bed, Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2001
  • Pagels, Elaine, De Gnostische Evangeliën, Gaade-Amerongen, 1979
  • Siebelink, Jan, Antonin Artaud, Mijn bewustzijn heeft geen vast steunpunt, in: De Reptielse Geest, Meulenhoff, Amsterdam, 1981
  • Sontag, Susan, Approaching Artaud, in: Under the Sign of Saturn, Vintage Books, New York, 1980
  • Walker, Benjamin, Gnosticism. Its History and Influence, The Aquarian Press, Wellingborough, Northampshire, 1985
  • Het dossier Antonin Artaud, Schizofreniedossiers deel V, Antonin Artaud (1896 – 1948), met een inleiding van G.J. van der Ploeg, Candide, Amsterdam, 2003

Link:

 

Eén van de laatste foto's
Eén van de laatste foto's