AUSTIN OSMAN SPARE

‘What is there to believe, but in Self? And Self is the negation of completeness as reality. No man has seen self at any time. We are what we believe and what it implies by a process of time in the conception; creation is caused by this bondage to formula.’

De vraag is hoe we het werk van Austin Osman Spare moeten beoordelen. Is het een kunstenaar die aan magie deed, of een magiër die kunstwerken produceerde? Duidelijk is dat veel van zijn kunstwerk alleen maar te duiden is als magisch werk. Een extra moeilijkheid is dat zijn persoonlijkheid volledig schuil lijkt te gaan achter dat werk. Biografische gegevens zijn moeilijk te vinden. Het gebrek aan informatie over zijn leven, leidde ertoe dat men talloze anekdotes rond vertelde over zijn vermeende gaven. In dat opzicht lijkt Spare soms eerder thuis te horen in de oudheid en middeleeuwen. Hoe minder men wist, des te vreemder waren de verhalen die men over personen vertelde.

Austin Osman Spare
Austin Osman Spare

Opgevoed door een heks?

Op 30 december 1886, net voor middernacht, werd Austin Osman Spare in Londen geboren. Zijn vader, Philip Newton Spare, was een politieman. Austin was de derde zoon. Na hem zouden er nog twee dochters geboren worden.
We weten verder weinig van zijn vroegste jeugd. Hij kon redelijk met zijn vader opschieten; maar leek, volgens sommige biografen, een zekere hekel aan zijn moeder, Martha Spare, geboren Osman, te hebben.

Hij raakte, rond zijn zevende, bevriend met een oude vrouw, mevrouw Paterson, die van zichzelf beweerde dat ze afstamde van de heksen van Salem, in de Verenigde Staten. Ze deed aan waarzeggen en hypnose. De jonge Austin werd misschien wel naar haar toe getrokken omdat het thuis druk was en zijn moeder moest zorgen voor zijn twee jongere zusjes. Hij noemde haar later ook zijn ‘tweede moeder’.

Mevrouw Paterson leerde hem ook dezelfde soort krachten te gebruiken als waar ze zelf over beschikte. Al rond zijn tiende jaar begon hij te tekenen. Hij deed iets dat pas later automatisch tekenen’ werd genoemd. Zijn moeder vond hem een vreemd kind. Hij leek niet, zoals andere kinderen van spelletjes te houden, of om te willen gaan met kinderen van anderen. Toen de jongen vier jaar was, schijnt ze te hebben opgemerkt dat hij de hele dag een potlood in zijn hand had en dat hij alles dat hij zag tekende. Ze constateerde dat het een soort roeping was en dat hij erin geschoold zou moeten worden. Ze kocht teken- en schilderspullen voor hem. Iets dat best duur was voor een gezin met vijf kinderen. Austin zelf wilde zijn werk liever niet aan anderen laten zien.

Kunst

Toen het gezin in 1904 een kans kreeg om ‘buiten’ te gaan wonen, wilde zijn moeder niet verhuizen, omdat Austin dan niet verder kon met zijn opleiding als tekenaar en schilder. Hoewel zijn moeder hem niet begreep, steunde ze hem toch. Daardoor is het moeilijk te begrijpen dat Spare een hekel aan haar had . Zijn vader maakte zich wat minder druk, maar leek ook geneigd hem zijn kans te geven.

In 1891 ging hij voor het eerst naar school. Daar kreeg hij na verloop van tijd zijn eerste tekenlessen. Op veertienjarige leeftijd won hij een prijs voor een tekening en werd één van zijn andere tekeningen geselecteerd voor de Britse kunstafdeling in de Parijse internationale tentoonstelling.

Het verdere onderwijs echter werd beheerst door de christelijke moraal uit die dagen. Hij deed er zijn hekel aan godsdienst op. Maar ook de teken- en schilderlessen bevielen hem niet. Men liet de leerlingen dingen stillevens en beelden natekenen. hij wilde zijn eigen dingen maken, gebaseerd op zijn eigen verbeelding. Op zijn twaalfde ging hij naar een avondschool om een kunstopleiding te volgen. Toen hij op zijn dertiende van school kwam, ging hij aan de slag als een ontwerper van posters voor een plaatselijk bedrijf. Een jaar later stapte hij over naar een bedrijf dat gebrandschilderde ramen maakte. Dit gebeurde ook in opdracht. Maar in zijn vrije tijd ontwierp Spare ook zelf dingen. Zijn werk begon op te vallen.

In 1904, hij was nog maar zeventien, werd er werk van hem uitgezocht om ten toon te stellen in de Royal Academy. Het is onduidelijk of hij zelf zijn werk er naartoe opstuurde, of dat zijn vader het had gedaan. De president van de Academie, John Singer Sargent (1856 – 1925), zelf een bekend schilder, noemde Spare bij die gelegenheid een genie. Toen een

Austin Osman Spare

 

Austin Osman Spare

journalist hem vroeg naar zijn inspiratiebronnen, noemde hij de Rubáiyát van Omar Khayyám. Hij vertelde dat het eigenlijk het enige boek was dat hij had gelezen en dat hij dat al zestien keer had gedaan. Hij herlas het steeds weer en kruiste de passages aan die hij zou kunnen illustreren.

Austin Osman Spare

Boeken

In datzelfde jaar verscheen ook zijn eerste boek Earth Inferno. Een vreemd boek van niet meer dan dertig bladzijden met typische symbolische tekeningen, vol met verwijzingen naar magie. Het is vrijwel niet te begrijpen en lijkt meer voor hemzelf geschreven te zijn dan voor anderen. De tekeningen verraden echter een meesterschap dat uniek is voor iemand van zijn leeftijd. We vinden in dit boek ook voor het eerst de mysterieuze term ‘Zos Kia’, waarmee Spare later ook zijn magische filosofie aanduidde. ‘Zos’ zou dan staan voor het

menselijk lichaam als ‘geheel’, terwijl ‘Kia’ ‘het één noch het ander’ (‘neither-neither’) aan duidt. Door het lichaam als het ware in een ‘tussenfase’ (in ‘noch het één, noch het ander) te plaatsen, stelt de mens zich open voor visioenen van een andere werkelijkheid.

Portret Aleister Crowley door Austin Osman Spare
Portret Aleister Crowley

Tussen 1904 en 1909 illustreerde hij boeken van andere schrijvers. In het laatst genoemde jaar kwam zijn volgende werk uit: The Book of Satyrs. Het was in zekere zin een voortzetting van Earth Inferno, maar zonder tekst. Door zijn werk kwam hij in aanraking met allerlei min of meer bekende kunstenaars. Tegelijkertijd brachten zijn occulte interesses hem bij seances en magische genootschappen. Op 10 juli 1910 werd hij lid van de A.•.A.•. van Aleister Crowley en een jaar later ook van de Ordo Templi Orientis (OTO). Hij nam de naam aan van Yihoveaum, een samentrekking van Jehovah en Aum. Spare leverde verschillende bijdrages aan het tijdschrift van Crowley, The Equinox. Lang duurde de samenwerking met Crowley echter niet. Spare was teveel een ‘einzelgänger’, die zich niet aan groepsafspraken leek te willen houden. Crowley suggereerde later dat Spare door middel van magische masturbatie succubi op zou roepen, ter bevrediging van zijn eigen vleselijke lusten. Ze hebben voor zover nu bekend is echter geen ruzie gehad.

Het verschil tussen beide is duidelijk. Crowley heeft in vrijwel al zijn magische rituelen samen gewerkt met anderen; Spare daarentegen werkte het liefst alleen. Voor een deel had dat laatste ook gewoon te maken met ruimtegebrek. Spare woonde

Austin Osman Spare

niet in die omstandigheden dat er in zijn huis ruimte was om een volledig magische ceremonie te houden.

Hij leerde de toen bekende schrijver Robert Hugh Benson (1871 – 1914), een dominee van beroep, kennen. Bij die man in huis had hij zijn eerste ervaring met een spook. Dit was een stimulans voor Spare om zijn eigen bovennatuurlijke gaven verder te ontwikkelen. Op latere leeftijd had hij voortdurend de ervaring om geesten tegen te komen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zag hij in de straten van Londen de geesten van hen die omgekomen waren door de bombardementen door de straten gaan. In veel van zijn tekeningen zien we geestverschijningen opduiken.

Een andere anekdote vertelt dat Benson en Spare op een dag aan het wandelen waren, de eerste Spare uitdaagde om zijn magische kunnen te tonen. Kon hij, terwijl de hemel op dat moment onbewolkt was, het laten regenen? Spare bleek stokstijf staan, tekende daarna een magisch teken op een stuk papier en concentreerde zich erop met al zijn aandacht. Binnen een paar minuten kwam er bewolking opzetten en even later regende het.

Spare was heel bedreven in het tekenen en schilderen van allerlei onderwerpen. Hij was redelijk populair als jongeman met een eigen stijl. Toch bleef hij altijd buiten elke groep staan. In de jaren net voor de Eerste Wereldoorlog raakte hij ook steeds meer het contact met zijn familie kwijt.

In september 1911, hij was vierentwintig, trouwde Spare met Lily Gertrude Shaw. Het huwelijk duurde niet lang. Ze gaven het geld sneller uit dan Spare het kon verdienen. Lily was een mooie jonge vrouw en Spare had de verleiding niet kunnen weerstaan. Maar Lily had ook mooie vriendinnen. Op één daarvan werd hij verliefd. Een scheiding was snel uitgesproken. Die fout wilde hij niet weer maken. Hij trouwde

niet meer, maar had wel vele vriendinnen. Daaronder waren ook enkele van zijn modellen.

In 1912 bezocht hij Zwitserland. Waarschijnlijk deed hij dat op suggestie van een rijke man die wel wat van zijn werk wilde kopen. Wie die rijke man was, is niet duidelijk. Verschillende schrijvers suggereren dat het wellicht Aleister Crowley is geweest.

Magie

Ondertussen had Spare gewerkt aan zijn misschien wel belangrijkste werk, The Book of Pleasure (Self-Love). The Psychology of Ecstacy. Dat kwam in 1913 uit. Het is een veel uitgebreider werk, waarin hij, in soms cryptische bewoordingen zijn magische filosofie uiteenzet. Hierin legt hij onder andere uit wat hij bedoelt met ‘Kia’, een term die, zoals gezegd, voortdurend in zijn werk terugkomt. Kia is het uiterste van alles, te vergelijken met de Tao, met het qabalistische idee van het ‘Niets’. Spare ontkent alle vormen van dualiteit. Iets is noch wit, noch zwart, noch een andere kleur.

Zoals de meeste mensen die magie op een serieuze manier beoefenen, stelde Spare dat de magische wil bewust gericht kan worden. Door zijn voorkeur voor individuele technieken verwierp hij de traditionele methoden van ceremoniële magie.

De technieken die hij beschreef betroffen het schilderen van tekens, die hij ‘sigils’ noemde en talismannen. Hij legt ook uit wat ‘sigils’ zijn en hoe je ze moet maken. Hij vergelijkt ze met heraldieke tekens, zegels en monogrammen. Je weet waar ze voor staan zonder bewust te hoeven formuleren wat hun betekenis is. De tekens die hij gebruikte noemde hij het ‘Aphabet of Desire’.

Austin Osman Spare
Austin Osman Spare

Om een sigil te maken in het Alfabet van Verlangen is het nodig om je verlangen zo kort en puntig mogelijk in een zin te formuleren. Daarna moet je elke letter die er meerde keren in voorkomt wegstrepen. De overgebleven letters moeten gecombineerd worden tot een tekening. Deze tekening moet het verlangen als het ware symboliseren. Dit is de ‘sigil’. De bedoeling is dat om naar het teken te blijven staren tot het als het ware is opgenomen in het onderbewustzijn. Daarna moet je zowel het teken als het verlangen als het ware ‘vergeten’, er niet meer bewust aan denken. Het onderbewustzijn moet daarna als het ware ‘zijn werk’ gaan doen.

Het belangrijkste is om het ‘Ik’ als het ware uit te schakelen. Hij geeft daarvoor meerde technieken:
‘Lying on your back lazily, the body expressing the emotion of yawning, suspring while conceiving by smiling, that is the idea of the posture. Forgetting time with those things which were essential reflecting their meaninglessness, the moment is beyond time and its virtue has happened.’

Een bekendere:
‘Standing on tip-toe, with the arms rigid, bound behind by the hands, clasped and straining the utmost, the neck streched – breathing deeply and spasmodically, till giddy and sensation comes in gusts, gives exhaustion and capacity for the former.’

De bedoeling is om door middel van deze technieken een ‘positive death state’ te bereiken. Het is een staat waarin door het opheffen van het ego de dualiteit tussen het ‘ik’ en de ‘wereld’ die in ons bewustzijn besloten ligt.

De Eerste Wereldoorlog

In 1914 had hij zijn eerste ‘one-man’ tentoonstelling. Maar de publiciteit hiervoor werd volledig overschaduwd door die rond het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in augustus van dat jaar. Dit weerhield Spare er echter niet van om samen met de dichter W. H. Davies (1871 – 1940) een kunsttijdschrift genaamd Form te beginnen. Er verschenen echter maar twee nummers, onder andere omdat Spare in de tweede helft van 1916 opgeroepen werd voor het leger.

Wat Spare precies deed in de oorlogsjaren weten we niet. Hijzelf zei later dat hij in Egypte was geweest en hij was ook voor enige tijd aan het westelijke front. Hij was sergeant van de Royal Army Medical Corps en werkte ook als ‘Official War Artist’. Er is veel van zijn werk als ‘oorlogsartiest’ te zien in het Imperial War Museum, in Londen. Hij schilderde onder andere de verzorging van de gewonden, achter het front.

In de jaren na de oorlog bleek dat zijn bezoek aan Egypte een blijvende invloed had achter gelaten. Hij geloofde ook dat de occulte kennis van de Egyptenaren nog steeds van belang was. Hij probeerde nog één keer een tijdschrift op te zetten, Golden Hind, maar ook dat was geen lang leven beschoren.

Na de oorlog leek Spare weer de draad op te pakken. In 1920 publiceerde hij The Focus of Life: the mutterings of AOS. Het was een dun boek met aforismen en tekeningen, bepaald niet voor het grote publiek. Maar ook de kunstkenners zullen vreemd hebben gekeken naar de vaak wat bizarre tekeningen van soms vreemd verwrongen vrouwen. Hij bleef een eenling en leek steeds meer afstand te willen nemen van de officiële kunstwereld. Dat werd nog duidelijker toen in 1927 The Anathema of Zos: the sermon to the Hypocrytes uit kwam. Het leek een werk gevoed door mensenhaat. Uiteindelijk bleven er ook maar een paar vrienden over. Met die vrienden

Austin Osman Spare

exposeerde hij dat jaar nog in een galerie. Twee jaar later exposeerde hij nog een keer met zijn ‘bovennatuurlijke’ tekeningen en andere ‘magische manifestaties’. De laatste tentoonstelling was een jaar later. Na 1930 zou hij zijn leven, tot aan zijn dood in vrijwel volmaakte anonimiteit doorbrengen.

 

Austin Osman Spare

Afzondering

De redenen voor zijn afkeer van niet alleen de kunstcritici, maar ook van de maatschappij in het algemeen, lag ook in het gevoel niet thuis te horen in de kringen van degenen die zijn kunstwerken kochten. Dat had alles te maken met zijn gebrekkige scholing. Verder was er zijn voorkeur om verhoudingen te beginnen met vrouwen die veel ouder waren dan hijzelf. De verklaring daarvoor lag, volgens hemzelf, in zijn relatie met de oudere ‘heks’ uit zijn jeugd. Hij had haar meerdere keren zien veranderen van oude vrouw in een beeldschone jong meisje. Een gedaanteverandering waar heksen bekend om staan. Daarbij kwam ook dat hij een eigen ‘magisch pad’ volgde, dat al zijn aandacht vroeg en waar hij geen gezelschap van anderen bij nodig had.

Als we kijken naar de werken van Spare in die latere periode valt op dat het vaak gaat om figuren die in verschillende fases van een verandering worden afgebeeld. Het zijn mensen die van gedaante veranderen. Ze worden een ander mens of een dier.

Op zich is dit thema natuurlijk niet alleen in de kunst, maar ook in de volksverhalen al heel lang bekend. Al in de oudheid waren het heksen die zich naar wens in dieren konden veranderen. Later werden dat ook vampiers en weerwolven. Ook uit de verschillende mythologieën is het verschijnsel bekend. Half dier – half mens: de centaur (symbool van het sterrenbeeld boogschutter), de faun of satyr (de bosgod Pan) en wellicht het meest beroemd: de sfinx (Tmu Harmachis, de zon bij zonsopgang).

Waar we bij Spare op moeten letten is dat de verandering heel vaak gaat in de richting van het dierlijke. Daarbij moeten we bedenken aan de invloed die mevrouw Paterson, de heks, op hem zou hebben gehad. Ook tijdens de heksenvervolgingen in

de zestiende en zeventiende eeuw werden heksen ervan beschuldigd dat zij zich in een dier (bij voorkeur een kat, maar ook in een konijn of in een vogel) konden veranderen. Het ging Spare hierbij inderdaad ook om het magische aspect van die verandering. In één van zijn eigen voorbeelden van het ontwerpen van een ‘sigil’ had hij het erover om de ‘kracht van een tijger’ te verkrijgen. Iets dat wil zeggen dat het hem om één bepaalde eigenschap ging. En hierbij kunnen we dan een vergelijking trekken met de totemdieren van indianenstammen in Amerika en negerstammen in Afrika. Het gaat hier dan om dat aspect van het dier-zijn dat een mens niet bezit. Inderdaad de kracht van een leeuw, de ogen van een adelaar, de woede van een beer (de ‘bersekerwoede’ van de Vikingen op het slachtveld) enzovoort. Daar gaat het om als Spare het heeft over het magische aspect van de metamorfose.

Hij leefde in die jaren van de opbrengsten van zijn werk dat hij in de kroegen en eethuizen van Zuid-Londen verkocht. Hij tekende en schilderde mensen die hij dagelijks tegen kwam.

Op 10 mei 1940 werd hij tijdens een bombardement op Londen gewond aan zijn armen. Het duurde bijna drie jaar voordat hij zijn beide armen weer volledig kon gebruiken. Na de oorlog waren er jaren vol armoede. In 1947 was er een grote tentoonstelling van nieuw werk in een Londense galerie. Hij woonde in kelders en zijn voornaamste gezelschap bestond uit een groot aantal zwerfkatten. Uiteindelijk stierf hij op 15 mei 1956.

Kenneth Grant

In 1949 had Spare bezoek gekregen van Kenneth Grant. Grant had een aantal jaren daarvoor, in 1944, kennis gemaakt met Aleister Crowley. Hij was toen al nieuwsgierig naar Spare en diens werk. Crowley’s commentaar kwam er op neer dat de weg van Spare een puur individuele was en niet, zoals dat

Austin Osman Spare

van de meeste occultisten, gericht was op evolutie van de mensheid. Er was een groot verschil tussen de boodschap van The Book of the Law en Spare ideeën over ‘Self-love’, zoals beschreven in The Book of Pleasure. Na de dood van Spare werd Grant verantwoordelijk voor al de nalatenschap.

In 1975 publiceerde Grant het misschien wel belangrijkste boek over leven en werk van Spare: Images & Oracles of Austin Osman Spare. Uit dit boek bleek dat Grant niet alleen lang met Spare gesproken had, maar dat hij ook informatie had verzameld bij de schaarse vrienden die hij had gehad. Spare komt er uit naar voren als een typische kluizenaar met vreemde gewoontes. Er staan verschillende anekdotische verhalen in over de magie die Spare bedreef. Het mooiste voorbeeld daarvan is misschien wel het verhaal over ‘Clanda, de waterheks’.

Het verhaal begint bij Grant zelf, die na de dood van Crowley, rond 1950 toestemming vroeg aan Karl Germer, de opvolger van Crowley als hoofd van de OTO, om een afdeling te mogen beginnen in Engeland. Dat ging een tijdje goed, totdat Grant in 1955 zijn afdeling omvormde tot de New Isis Lodge . Hij gaf ter gelegenheid daarvan een manifest uit. Daarin werd een occulte invloed beschreven, afkomstig van de planeet Isis, die zich voorbij Pluto aan de uiterste rand van ons zonnestelsel zou bevinden. Grant gaf in dit manifest ook een eigen interpretatie aan het gradenstelsel van de OTO.
Er stonden in het manifest echter nog twee dingen die tot een breuk met de ‘officiële OTO’ zouden leiden. Allereerst beweerde Grant dat de New Isis Lodge over geheime documenten beschikte die kennis bevatten over magische formules die verborgen zouden zijn in The Book of the Law. Daarnaast bleek dat Grant’s orde contact had met een Duitse zusterorganisatie die ook al niet door de officiële OTO werd erkend.

Toen bleek dat Germer de geheimen van de New Isis Lodge niet mocht zien, zette hij Grant uit de OTO. De New Isis Lodge echter bleef bestaan. Het voorval dat Grant vertelt, als voorbeeld van Spare’s magie, vond plaats tijdens een van de rituelen van zijn orde.

In 1955 was er korte tijd sprake van een magische oorlog tussen Gerald Gardner, één van degenen die verantwoordelijk wordt gesteld voor de opleving van de moderne hekserij van na de Tweede Wereldoorlog, en Kenneth Grant. Deze oorlog speelde zich af rond de magische obsessie van een jonge vrouw, Clanda genaamd, die beweerde een ‘waterheks’ te zijn. Ze leek een voorliefde te hebben voor alles dat met dat element te maken had. Grant vond haar wel iets weg hebben van een zeemeermin.

Clanda, een forse wat overgevoelige vrouw, was eerst lid geweest van de heksencultus van Gerald Gardner. Ze wilde ‘Priesteres van de Zee en de Maan’ worden, maar vond dat ze te weinig vooruitgang boekte. Daarom stapte ze over naar de New Isis Lodge, in de hoop dat haar magische ontwikkeling daar sneller zou gaan. Gardner echter had het idee dat Grant haar daartoe had aangezet. Het zou ook niet de eerste keer zijn geweest dat één van zijn heksen die overstap had gemaakt. Hij besloot om een magische aanval te doen op zijn vermeende concurrenten. Blijkbaar echter had Gardner niet genoeg vertrouwen in zijn eigen magische kunnen. Hij deed daartoe een beroep op Austin Osman Spare.

Deze besloot op Gardner’s verzoek om een ‘gestolen eigendom’ terug te brengen, in te gaan. Gardner zei niet dat Grant erbij betrokken was, want hij wist dat de twee bevriend waren.

Austin Osman Spare
Austin Osman Spare

Spare ontwierp een talisman die ervoor moest zorgen dat het ‘gestolen voorwerp’ terug bezorgd zou worden bij de eigenaar. Hij beschreef het eraan verbonden wezen als een ‘amphibie-achtige uil met de vleugels van een vleermuis en de klauwen van een adelaar’.

Niet lang daarna kwam de New Isis Lodge bijeen in het huis van een bevriend alchemist in Londen. De eigenaar zelf woonde er niet, maar gebruikte het blijkbaar als laboratorium en liet er zijn vrienden hun magische riten opvoeren.

Op de bewust avond was een van de kamers in het huis ingericht als rituele ruimte. Er was een altaar met aan weerszijden twee grote kandelaars. Op het altaar lag Clanda. De lucht was algauw blauw van de rook van de wierook van de ‘Zwarte Isis’ (storax, olibanum, onycha en galbanum op een basis waarin als ingrediënt ook menstruatiebloed was verwerkt). De geur kreeg iets extra vreemds doordat zij zich vermengde met de schimmelige geur van rottend hout, zo typisch voor oude, lege huizen. Door de mist van de wierook bewogen de vier in het paars geklede leden van de loge. Omdat het de Zwarte Isis was, het duistere aspect van de godin, die gewoonlijk wordt geassocieerd met licht, die werd opgeroepen, werd er een buitengewoon krachtige manifestatie van haar aanwezigheid verwacht.

Over het lichaam van Clanda werd een serie magische bewegingen gemaakt, bedoeld om de occulte krachten in de chakras (de veronderstelde centra van geestelijk-spirituele activiteit in het lichaam) te activeren. Het was de bedoeling dat ze erna rustig zou blijven liggen. In plaats daarvan ging ze plotseling rechtop zitten, haar lichaam verstrakte en ze begon te zweten. Haar ogen kregen een gehypnotiseerde glans over zich terwijl ze staarde naar de gesloten gordijnen van een raam.

De magiërs voelden een koude wind door de ruimte waaien en hoorden op hetzelfde moment een vreemd geluid als van krabbelende klauwen, komend vanachter de gordijnen.
Ondertussen leek het alsof Clanda ontzettend bang was van iets. Haar lichaam schokte in een soort stuiptrekkingen en ze leek zich tegen iets te verzetten.

Ze vertelde later dat ze, terwijl ze op het altaar lag, de gordijnen zag open waaien. Daarna vloog er een enorme vogel de kamer binnen en ze voelde hoe deze haar in zijn klauwen nam. Ze werd mee naar buiten genomen, de nacht in. Ze zag ver beneden haar de daken van huizen en kerken, straten met verkeer en een duistere mist, krinkelend rond een werf aan de Thames in de verte. Terwijl dit allemaal gebeurde zat ze dus stokstijf van schrik op het altaar.

Ze worstelde in de klauwen, scheen te ontsnappen en voelde hoe ze terug viel op het altaar. De magiërs van de loge, gereduceerd tot toeschouwers, zagen haar alleen maar terugkeren tot volledig bewustzijn. Ze huilde, reageerde verward en beefde van angst terwijl ze naar de gordijnen wees. Deze bewogen alsof er nog steeds een of ander wezen door naar binnen probeerde te komen.

Later vonden de magiërs op het raamkozijn vreemde sporen, wellicht gemaakt door de klauwen van een enorme vogel. Nog vreemder was de aanwezigheid van een vreemde ‘gelatine-achtige’ substantie, ‘lijkend op zeewier’, die zachtjes op en neer bewoog, alsof het ademde. Na dit vreemde voorval bleef er nog dagenlang een sterke zeelucht hangen in de tempel.

Ondanks alle ‘moeite’ kreeg Gardner zijn verloren heks niet terug. Na een tijdje emigreerde Clanda naar Nieuw Zeeland. Daar is ze later verdronken. Grant suggereerde dat de watergeesten wellicht op die manier hun ‘waterheks’ kwamen ophalen.

Austin Osman Spare
Austin Osman Spare

In Images & Oracles of Austin Osman Spare stelde Grant dat veel occulte kennis van zowel Crowley als van Spare overeenkomsten vertoonde met de bijna mythologische verhalen van de Amerikaanse schrijver Howard Phillips Lovecraft. Deze laatste had in de jaren twintig en dertig een serie griezelverhalen geschreven waarin vreemde oude goden aanbeden werden door mensen die hen weer tot leven wilden wekken. Ze gebruikten daarvoor onder andere een toverboek, Necronomicon genaamd. De verhalen werden in de jaren zestig weer erg populair en de associaties van onder andere Kenneth Grant werden gebruikt om meer dan één ‘echte’ Necronomicon te publiceren.

De magie van Spare werd één van de voornaamste inspiratiebronnen voor de Chaos magie aan het eind van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Het belangrijkste kenmerk van deze vorm van magie is dat men bereid is om allerlei vormen van magie en rituelen door elkaar heen te gebruiken. In de Chaos magie legt de beoefenaar zich niet vast op één interpretatie van de werkelijkheid. ‘Nothing is True, Everything is Permitted’ is een motto dat vaak wordt gebruikt. Men bedoelt ermee dat er niet een geaccepteerde objectieve waarheid kan zijn. Ieder mens kan daar een eigen opvatting over hebben. Daarom kan alles waar zijn en is alles mogelijk. In wezen lijkt dit de kern te zijn van de huidige opvattingen over magie. Het gaat om subjectieve ervaringen van het overschrijden van een grens tussen ‘deze’ en die ‘andere wereld’.

Min of meer tegelijkertijd kreeg men ook in andere kringen belangstelling voor zijn werk. Kunstenaars begonnen zijn werk te ontdekken, net als musici. Vooral in de ‘pop-muziek’ werd zijn werk, in het kielzog van dat van Aleister Crowley, bekend. In de Londense underground aan het begin van de jaren ’80 ontstonden groepen als Psychic TV, Coil en Current 93 die grote belangstelling hadden voor de rituelen van Spare. Een ‘voorloper’ van Coil noemde zich zelfs Zos Kia. Het ging in

zekere zin allemaal om manieren om inspiratie te halen uit ‘die andere wereld’. Seks, drugs en rituelen om de eigen fysieke en psychische grenzen te verleggen.

Literatuur:

  • Ansell, Robert, The Bookplate Designs of Austin Osman Spare, The Bookplate Society in association with The Keridwen Press, 1988
  • Beskin, Geraldine & Bonner, John (Ed.), Austin Osman Spare 1886 – 1956. The Divine Draughtsman, The Morley Gallery, London, 1987
  • Grant, Kenneth, Cults of the Shadow, Skoob Books Publishing, London, 1994
  • Grant, Kenneth, Hecate’s Fountain, Skoob Books Publishing, London, 1992
  • Grant, Kenneth, Images & Oracles of Austin Osman Spare, Frederick Muller Limited, London, 1975
  • Spare, Austin Osman, The Collected Works, The Sorcerer’s Apprentice Press, Leeds, Yorkshire, UK, 1986
  • Spare, Austin Osman, Ethos, I-H-O Books, Essex House, Thame, England, 2001
  • Spare, Austin Osman & Crowley, Aleister, “Now for Reality”, The Focus of Life of Aàos: written and illustrated by Austin Osman Spare. Poems by Aleister Crowley, Mandrake Press Ltd., Essex House Thame. Oxon., 1990

Austin Osman Spare