GLOTTOCHRONOLOGIE

Wat was de eerste taal? Al in de oudheid waren mensen daar nieuwsgierig naar. Herodotus vertelt het verhaal van een Egyptische farao (waarschijnlijk Psammetichus I – 664-610) die twee kinderen liet opvoeden door doofstomme mensen. Hij wilde zien welke taal de kinderen dan gingen spreken. Dat zou dan wel de eerste taal zijn. Het bleek dat ze klanken voortbrachten die leken op ‘bekos’, het Phrygische woord voor ‘brood’. Koning James V (1512-1542) van Schotland las hier over en besloot het experiment te herhalen. Bij hem leken de kinderen Hebreeuws te zijn gaan spreken.

Pas aan het einde van de achttiende eeuw werd het onderzoek naar de oorsprong van ‘de’ taal serieus opgepakt. Het kwam voort uit de studie naar oude geschriften en talen. Men vergeleek die met elkaar, zocht naar gemeenschappelijke kenmerken en probeerde zo bijvoorbeeld ‘taalfamilies’ te vinden. Men keek vooral naar Indo-Europese talen, waarvan men de geschiedenis relatief makkelijk kon achterhalen. Men vervaardigde stambomen waaruit duidelijk moest worden hoe Germaanse, Romaanse en andere talen zouden zijn ontstaan vanuit het Indo-Europees. Maar met de stand van de wetenschappen in de 19e eeuw viel de vraag uiteindelijk niet te beantwoorden. Het ging er uiteindelijk om met welke methode men de vraag te lijf ging.

Het heeft er alle schijn van dat we het best zouden kunnen beginnen met een inventarisatie, een verzameling van alle mogelijke taaluitingen. Daarnaast zouden we kunnen kijken naar de ontwikkeling van een taal in een bepaalde periode.

Eén van de vooronderstellingen waarmee men naar de ontwikkeling van taal kijkt is dat we deze steeds eenvoudiger zouden maken. Een voorbeeld daarvan in het Nederlands zou dan het verdwijnen van de naamvallen zijn. Ook de veranderingen van sterke naar zwakke werkwoorden speelt daarbij een rol. Aan het begin van de achttiende eeuw verzette men zich tegen het verdwijnen van bried, wies en korf, die vervangen zouden worden door braadde, waste en kerfde. Tevergeefs, want het lijkt een onomkeerbaar proces. ‘Lijkt’ want het is niet helemaal waar. Taalkundigen wijzen er bijvoorbeeld op dat verleden tijden zoals vroeg, joeg en woei, vroeger zwak waren: vraagde, jaagde en waaide. We hebben natuurlijk niet alleen maar te maken met de spreektaal. Doordat we de taal zijn gaan opschrijven, zijn we als het ware op de rem gaan staan van de taalontwikkeling. Het gedoe rond onze spelling (de ‘tussen n’!) is daar ook een voorbeeld van.

Typerend genoeg is er van die veronderstelde hang naar eenvoud ook niets te merken als we kijken naar de top-tien van meest voorkomende werkwoorden:

  1. zijn
  2. worden
  3. hebben
  4. kunnen
  5. zullen
  6. moeten
  7. gaan
  8. komen
  9. zeggen
  10. maken

Alleen de laatste is regelmatig. Het antwoord op de vraag hoe dat nou komt is waarschijnlijk: we worden er steeds weer mee geconfronteerd. We verbeteren elkaar als we het fout doen. Dat is dan ook typisch een rol van de ouders in het gezin. We geven de kinderen van jongs af aan een voorbeeld. En als we dat niet doen, begint er al heel vroeg een taalachterstand te ontstaan.

STRAATTAAL?

Toen men in de negentiende eeuw voor het eerst echt serieus onderzoek deed naar de Nederlandse taal en de talloze varianten daarvan, telde men in Amsterdam bijvoorbeeld alleen al negentien ‘stadsdialecten’, waaronder het ‘Bierkaais’. Daar moet overigens wel bij gezegd worden dat die dialecten soms maar op enkele klanken van elkaar verschilden.

Stadsdialecten komen en gaan. Met name in de negentiende eeuw zijn er een groot aantal verdwenen, onder invloed van de industrialisatie. De fabrieken vroegen in de tweede helft van die eeuw om steeds meer geschoolde arbeiders. Het scholen van toekomstige arbeiders vond plaats op scholen waar de voertaal het Algemeen Beschaafd Nederlands was. Typisch genoeg namen die arbeiders niet het zogenaamd accentloze Nederlands van hun bazen over. Men nam als het ware wel de vereiste woordenschat over, maar bleef die uitspreken met een accent. Dat accent verschilde van stad tot stad en van streek tot streek.

Lange tijd heeft men geprobeerd om het plattelandsdialect te laten verdwijnen. Maar de laatste jaren zien we, onder andere onder invloed van zogenaamde ‘regiosoaps’ een terugkeer ervan. Veel kinderen worden nu als het ware weer ‘tweetalig’ opgevoed.

Dialectgebruik in Nederland
Dialectgebruik in Nederland

Deze terugkeer van de streektaal is overigens iets dat we in heel Europa lijken tegen te komen. In de ons omringende landen wordt weer meer aandacht gegeven aan streektalen, zoals het Beiers (in allerlei varianten), Haspengouws, Bretons enzovoorts. Dichterbij is er de afgelopen paar jaar onderzoek geweest naar het Schevenings, waarvan sommigen beweren dat het een restant is van een streektaal die eeuwen geleden langs de hele kust werd gesproken.

In de steden bleven verschillende dialecten, later ook ‘sociolecten’ genoemd bestaan. In Den Haag was er de tweedeling tussen ‘zand’ en ‘veen’. Op het zand woonden de rijkeren, met de ‘goed’ geachte uitspraak van het Nederlands, de arbeiders woonden op het veen. De laatste groep had, zo constateerde men, een ‘taalachterstand’. Dat hield onder andere in dat zij zich niet op adequate wijze konden uitdrukken in het ABN. Het hield echter ook in dat zij het hun aangeboden onderwijs niet konden volgen, omdat zij de taal waarin dat werd gegeven niet in voldoende mate beheersten. Communiceerden zij ook echt zo slecht? In feite niet, want het bleek dat zij elkaar feilloos begrepen. Het leidde tot allerlei discussies, met name in de jaren zeventig toen er vraagtekens werden gezet bij zaken als het ‘compensatieonderwijs’. Wie waren die mensen dan wel die beweerden dat anderen minder goed konden communiceren? Was het grammatica-onderwijs niet ook een middel om de zwakkeren in de samenleving te onderdrukken?

Jongeren hadden trouwens ook in de jaren veertig en vijftig al een eigen taal. Vaak werd die vergeleken met het ‘Bargoens’ of, denigrerender, met ‘dieventaal’. Dat laatste had dan te maken met de tekens en symbolen die dieven zouden gebruiken, bijvoorbeeld om aan te geven bij welk huis men kon inbreken of uit welke buurt men diende weg te blijven.

In de jaren zestig en zeventig kreeg de straattaal van de ‘lager geschoolden’ een variant in de taal die gebruikt werd in subculturen van diverse jongerengroepen. Jongerenbladen en sommige televisie-programma’s speelden daarbij een grote rol. De bedoeling was onder andere om de ouderen niet te laten weten waar je mee bezig was. Soms leek het wel een geheimtaal. In het Engels werd het ‘slang’ genoemd. Een jongerentaal die razendsnel bleef veranderen.

In feite is dat wat er nu nog steeds gebeurt. Of het nu punk of rap is, of een volgende rage, jongeren zullen onder invloed van deze modes steeds weer opnieuw hun taalgebruik veranderen. Die verandering wordt door gebruik van computer en telefoon alleen maar versneld. En volwassenen zullen er waarschijnlijk steeds meer moeite mee hebben dat zij er zo weinig grip op kunnen krijgen. Zodra zij denken te weten wat bepaalde uitdrukkingen betekenen, zijn ze alweer veranderd. Het is namelijk juist de bedoeling: dat ze er niets van begrijpen

SMS taal
SMS taal