|
HET VLEES DAT PRAAT
Om verschil te maken tussen de soorten vlees die men at, duidde de bevolking van sommige mensenetende stammen in de Stille oceaan de mens aan met ‘pratend vlees’. Natuurlijk onderkenden ze wel dat er meer diersoorten waren die ‘communiceerden’; maar alleen de mens is in staan zinnen te produceren waarmee hij in de kookpotten bleef protesteren tegen de te ondergane ‘behandeling’.
Het is daarbij nuttig om een onderscheid te maken tussen spraak en taal. Er zijn immers dieren die vrij aardig mensenstemmen kunnen imiteren. Maar parkieten hebben geen idee van de ‘betekenis’ van wat ze zeggen, laat staan van de context waarin ze aangeleerde woorden gebruiken. Als dieren communiceren doen ze dat door middel van geluiden. Groepen in het wild levende apen hebben bijvoorbeeld specifieke geluiden waarmee ze elkaar waarschuwen voor gevaar.
Mensen hebben iets bijzonders. Iets waarvan de gemiddelde menseneter waarschijnlijk niet op de hoogte is. Door de specifieke ‘positionering’ van het menselijk hoofd op de romp is er ruimte gekomen, ooit, voor de ontwikkeling van onze stembanden.
|
| |

Stembanden
|
Zo’n drieënhalf miljoen jaar geleden begonnen de eerste mensachtigen op hun achterste benen te lopen. Ze richtten zich op, waardoor in de loop van de evolutie, vorm en inhoud van de menselijke schedel veranderde. De ruimte waarin de stembanden hun geluid produceren en waarin dat als het ware gefilterd wordt, werd groter, waardoor mensen in staat werden gesteld om met name klinkers te produceren. Deze ruimte ligt relatief laag in de nek. Het is onduidelijk wanneer het stadium werd bereikt in de menselijke ontwikkeling dat men zinnen kon formuleren. Verschillende geleerden betwijfelen bijvoorbeeld of de neanderthaler heeft kunnen praten, gezien de plaats van de stembanden in het strottenhoofd. Door bestudering van de schedels van mensachtigen gaat men er nu van uit dat er zo’n 300.000 jaar geleden een verandering
|
 |
|
plaats vond, waardoor het voor mensachtigen mogelijk werd om te praten.
Eén van de zaken die men daarvoor als bewijs aanvoert is de uiterst trage vooruitgang als het gaat om het maken van werktuigen. Ruim drie miljoen jaar lang, vanaf het moment dat de eerste mensachtigen rechtop gingen lopen, tot aan zo’n 300.000 jaar geleden, maakte men primitieve stenen werktuigen die waarschijnlijk voor alle doeleinden gebruikt konden worden. Er was geen onderscheid tussen ‘bijl’ of ‘mes’ bijvoorbeeld.
De eerste ‘moderne’ mens leefde zo’n 200.000 jaar geleden in Ethiopië. En terwijl hij beter in staat moet zijn geweest om te praten en om een woordenschat te ontwikkelen, duurde het nog zo’n 100.000 jaar voordat de werktuigen die hij maakte beter werden.
Men koppelt de ontwikkeling van de taal en van het maken van werktuigen bijvoorbeeld ook aan het gegeven dat rond 50.000 jaar geleden de mensen uit Afrika naar andere werelddelen trokken. Men moest daarvoor toch beter kunnen communiceren. Dat zou ook betekenen dat er ooit één taal was waar al onze tegenwoordige talen van afstammen.
Het is natuurlijk logisch dat er in verschillende delen van de wereld er verschillende varianten van die ‘oertaal’ ontstonden. Deze talen ontwikkelden zich onafhankelijk van elkaar, maar hielden bepaalde gemeenschappelijk basiskenmerken vast. Toen in een later stadium mensen met een verschillende taalachtergrond elkaar ontmoetten (bijvoorbeeld om handel te drijven) schiepen ze als het ware zelf een sterk vereenvoudigde ‘mengtaal’. Deze taal wordt ‘pidgin’ genoemd, naar het Chinese woord voor ‘zaken’. Op het moment dat dit pidgin als het ware een ‘moedertaal’ wordt, heet het ‘creools’. |
|
|
In dat creools zitten dan de meest opvallende overeenkomende kenmerken van de talen waaruit het oorspronkelijke pidgin is ontstaan. En het zijn kinderen die in de ontwikkeling daarvan een heel belangrijke rol spelen. Zij zijn immers de eersten die het gaan leren als ‘moedertaal’.
Het betekent ook dat de onderzoeken die er zijn gedaan naar taalkundige regels die voor alle talen in de wereld gemeenschappelijk zijn, op die groep kinderen was gericht. Op zoek naar een universele grammatica. Taalkundigen zoals Noam Chomsky dachten een dieptestructuur te kunnen ontdekken, waar elke taalgroep door middel van eigen grammaticale transformatieregels taaluitingen mee kon creëren. Deze onderzoeken vinden nog steeds plaats en leveren vaak zeer interessante resultaten op.

Noam Chomsky
|
|
 |